‘Het mysterieuze blikje’, Vriend, mei 2025, 18–20.
Het mysterieuze blikje
‘Plakken we mensen ook weleens labels op?’ vroeg mama.
Een waargebeurd verhaal uit de VS.
‘Wat is dit, mama?’ Sadie haalde een groot blik uit de kast tevoorschijn. ‘Er zit geen label op.’
‘Dat was ik vergeten’, zei mama. ‘De labels waren van sommige blikken conserven afgegaan, dus de winkel deed ze in de uitverkoop. Ik heb een blikje gekocht. Ik dacht dat het vast een blik erwtjes was.’
Sadie haalde haar neus op. Erwten uit blik vond ze echt niet lekker.
Mama pakte het blik op en draaide het om. ‘Ze zijn niet lang meer houdbaar. We kunnen ze maar beter vandaag opeten.’ Ze zette het blik op tafel.
‘Wat is dat?’ vroeg Sadies grote broer, Jason.
‘Wie weet?’ zei Sadie. ‘Mama denkt dat het erwten zijn.’
Jason schudde met het blikje. ‘Klinkt niet als erwten. Ik gok op bonen.’
Dat bracht Sadie op een idee. Ze pakte wat plakband en een stift en schreef ‘erwten’ op een papiertje en ‘bonen’ op een ander papiertje. Ze plakte ze op het blikje.
Toen dacht ze even na en schreef ‘tomatensaus’ op een ander papiertje.
Toen kwam papa de keuken in. ‘Wat zijn jullie aan het doen?’
‘We spelen een spelletje’, zei mama. ‘Raad eens wat er in dit blik zit?’
Papa pakte het blikje, schudde er hard mee en rook eraan. ‘Champignons!’ kondigde hij aan.
Iedereen kreunde. ‘Geen champignons!’ zei Sadie. Dat was erger dan erwten, bonen en tomatensaus samen. ‘Misschien moeten we het blikje maar weggooien.’
‘Ben je niet nieuwsgierig naar wat er echt in zit?’ vroeg mama.
Papa pakte de blikopener. ‘Ik wel!’
Terwijl papa het blikje opende, bedekte Sadie haar ogen. Maar toen het deksel eraf was, was ze verrast. Het blik zat vol heerlijk fruit.
‘Lekker!’ zei ze toen ze de stukjes peer, druif, kers en perzik zag.
Jason pakte kommen en lepels. ‘Laten we eten!’
Sadie schepte wat fruit uit het blik in haar kom. ‘Ik kan niet geloven dat we het allemaal bij het verkeerde eind hadden’, zei ze. ‘Ik wist zeker dat er iets vies in zat.’
‘Plakken we mensen ook weleens labels op?’ vroeg mama.
‘Hoe bedoel je?’ vroeg Sadie.
Papa zette zijn kom op tafel. ‘We bedenken hoe ze van binnen zijn, terwijl we alleen hun buitenkant kunnen zien.’
Sadie dacht daarover na. ‘Toen Samara nieuw was op school, dacht ik dat ze niet zo aardig was. Maar toen kwam ik erachter dat ze onze taal gewoon niet goed sprak. Nu spelen we altijd samen!’
‘Dat is een goed voorbeeld’, zei mama.
‘Soms heb ik het gevoel dat ik labels opgeplakt krijg’, zei Jason zachtjes. ‘De kinderen op school zeggen dat ik alleen goede cijfers haal omdat de leraar me aardig vindt. Maar de waarheid is dat ik hard mijn best doe en al mijn huiswerk maak.’
‘Labels kunnen pijn doen, hè?’ zei papa.
Jason knikte.
Sadie nam haar laatste hap fruit. ‘Maar zijn alle labels slecht? In de winkel moet je toch kunnen zien wat je koopt?’
‘Dat klopt’, zei papa. ‘Wanneer zijn labels dan goed?’
Jason hield zijn lepel omhoog. ‘Als ze waar zijn!’
‘En wie weet hoe iemand echt vanbinnen is?’ vroeg mama.
‘Onze hemelse Vader’, zeiden Sadie en Jason samen.
‘Ik weet het al!’ zei Sadie. ‘Ik ben een kind van God. Dat is het juiste label voor mij.’
‘En voor mij’, zei Jason.
‘En ook voor mij!’ zei papa.
‘Voor iedereen.’ Mama glimlachte. ‘We moeten mensen dus niet labelen op basis van wat we aan de buitenkant zien, of de foute labels die ons worden opgeplakt geloven. Want alleen God weet wie we vanbinnen werkelijk zijn.’
Sadie schreef iets op een nieuw papiertje en plakte dat op haar trui. ‘Een kind van God’, zei ze. Sadie glimlachte. Dat was haar favoriete label.
Illustraties, Róisín Hahessy