Panelgesprek: betrokkenheid van leerlingen stimuleren
Devotional conferentie voor medewerkers van de kerkelijke onderwijsinstellingen, 12 juni 2025
Noot van de redactie: voor de duidelijkheid zijn er kleine wijzigingen aangebracht in deze transcriptie.
Ouderling Clark G. Gilbert: Bedankt, ouderling Meredith. Wat een krachtige boodschap. En als je ouderling Meredith niet kent, hoop ik dat je hebt gevoeld hoe sterk en toegewijd hij is. Ik heb hem op de pickleballbaan gezien, en ik denk dat The Fellowship of Christian Athletes nog wel even over die keuze zal nadenken.
Ik wil nu een onderwerp introduceren dat we zo zullen bespreken. En ik wil wijzen op iets wat ouderling Meredith zei: het doet er toe hoe we onderwijzen. Uit zijn opmerking blijkt duidelijk, en ik denk dat we allemaal weten, dat een effectieve leerkracht heel belangrijk is voor onze cursisten en hoe ze leren. Maar hoe we dat doen doet er echt toe. Ouderling Christofferson heeft hier gisteravond op gewezen; en vandaag zei ouderling Meredith het ook.
We hebben jullie gevraagd om ter voorbereiding op deze workshops ‘Zet aan tot actieve studie’ in Onderwijzen naar het voorbeeld van de Heiland te lezen en bestuderen. Daarin staat dat we de cursisten verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces moeten laten nemen.
Sommigen van jullie hebben dit verhaal al eerder gehoord, dus mijn excuses. Mijn studentenkamergenoot zei: ‘Clark, ik ben dol op jouw verhalen. De eerste vijf of zes keer zijn ze echt goed.’ Maar ik wil dit verhaal vertellen omdat het heel belangrijk voor me is geweest. Ik zal vertellen over een fout die ik in mijn onderwijs heb gemaakt. In het Charles Hotel in Cambridge (Massachusetts, VS) hangt in een derde van de hotelkamers een schilderij met een krijtbord en een professor die zichzelf daarop tekent. Er staat bij: ‘Doug genoot van zijn eigen colleges’. Maar het enige wat hij doet is zichzelf steeds weer tekenen voor zijn studenten. Soms houden we zo veel en oprecht van onze cursisten dat we ze dingen willen vertellen die erg diep en persoonlijk zijn, maar dat kan in de weg staan van kansen voor hen om zelf te handelen en te leren.
Ik bedacht dat ik in die tijd vier jaar lang één onderwerp had bestudeerd en een casestudy had geschreven dat als cursusmateriaal aan de Harvard Business School werd gebruikt, over het bedrijf Knight Ridder. Ik was de auteur van de casestudy en [in] mijn eerste jaar als docent werd deze volgens mij door acht docenten onderwezen. Aan het eind van het jaar krijgen we gegevens waaruit blijkt hoe goed onze case het deed in vergelijking met de andere cases. Toen ik de gegevens doornam, zag ik dat mijn case voor mij de op één na slechtste van het semester was, en ik was daarvan de auteur. Voor alle anderen stond die in de top vijf.
Hoe kwam dat? Waarom was de casestudy die ik had geschreven, die ik vier jaar lang had bestudeerd, voor mij de één na laatste case van het hele semester, maar stond deze bij alle anderen in de top vijf? Wat denk je dat er aan de hand was? En ik wil het aan de groep vragen: Wat denk je dat er aan de hand was? Ik weet niet of we microfoons hebben, dus ik kom wat dichterbij staan. Rosemary, ik vraag het aan jou. Waarom deed mijn case het veel slechter als ik die onderwees? En zeg niet: ‘Omdat je een heel slechte leerkracht bent, Clark.’
Zuster 2 (Rosemary): Misschien legde je meer uit dan dat je ze erover liet nadenken.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ja, Rosemary zegt: ‘Misschien legde je meer uit dan dat je ze erover liet nadenken.’ Dat was zeker een deel van het probleem. Nog iemand anders? Wat kon ik – wat deed ik verkeerd waardoor die case het zo slecht deed? Ja. Achterin. Oké. Broeder Brown krijgt een goede work-out vandaag.
Zuster 3: Misschien was het niet van toepassing op de studenten.
Ouderling Clark G. Gilbert: Oké. Misschien was het niet van toepassing op de studenten. Of nog erger: misschien was wat ik heel belangrijk vond niet van toepassing op de studenten. Het semester daarna zei een van mijn collega’s overigens: ‘Clark, deze case is makkelijk te onderwijzen. Je hebt maar drie goede vragen nodig; jij maakt het te moeilijk. Je weet er te veel van en het gaat aan de studenten voorbij.’ Ik maakte overigens met enige frustratie gebruik van zijn leerplan en meteen schoot de case weer terug naar de top.
Soms kunnen onze eigen deskundigheid en kennis, als die eraan in de weg staan dat we de cursisten uitnodigen zelf te leren, hindernissen zijn. En dat betekent niet dat we geen kennis mogen overdragen. Maar hoe kunnen we kennis overdragen op een manier die aanzet tot actieve studie? Ik wil vandaag een panelgesprek houden met vier geweldige leerkrachten die hier goed in zijn, over de vraag: Hoe nodigen we cursisten uit om verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces te nemen? Ik nodig ze uit om bij mij te komen zitten voor dit panelgesprek, en dan zal ik ze voorstellen.
Naast mij zit Kaylee Merrill. Zij is seminariehoofd voor East High in Salt Lake City (Utah). Naast haar zit John Hilton, hoogleraar oude Schriftuur aan de BYU. Daarnaast zit Jenet Erickson, professor kerkgeschiedenis en -leer aan de BYU. En naast haar zit Nate Peterson, hoogleraar godsdienst aan BYU–Idaho.
Ik begin ons gesprek vandaag met de toespraak van ouderling Christofferson van gisteravond. We hebben deze toespraak bekeken en wisten voorafgaand aan dit panelgesprek wat het onderwerp was, en hebben daarover als groep gesproken. Hij legde, net als ouderling Meredith zojuist, een rechtstreeks verband tussen verantwoordelijkheid nemen voor ons eigen leerproces en levenslang discipelschap. Niet zomaar discipelschap, maar levenslang discipelschap.
Ik begin bij zuster Erickson. Als je bij die vraag stilstaat, wat is dan het verband tussen die twee beginselen? Wat viel jou op aan de toespraak van ouderling Christofferson van gisteravond? En wat betekent dat voor de manier waarop we onderwijzen?
Zuster Jenet Erickson: Bedankt, ouderling Gilbert. Het is geweldig om met jullie, inspirerende leerkrachten, samen te zijn. Vlak voordat ik les begon te geven aan de BYU, gaf ouderling Richard G. Scott, die meesterlijke leerkracht, een presentatie tijdens Education Week. Hij vertelde iets dat zo veel indruk op mij maakte, dat ik het dat semester met mij meenam naar het klaslokaal, want ik had het niet eerder begrepen. Hij vertelde hoe belangrijk het was het leven te zien als een zoektocht waarin de Heer ons door zijn Geest onderwijst. Daarom zijn we hier. En vervolgens zei hij: ‘Iedere keer dat een leerkracht de cursisten een vraag stelt en een cursist de hand opsteekt, laten zij de Heer Jezus Christus zien dat zij het verlangen hebben om te leren.’ Toen we gisteravond hoorden wat ouderling Christofferson zei over de kracht van keuzevrijheid, dacht ik aan een recente devotional aan BYU–Idaho waar een geweldige leerkracht zei dat zij de macht in zich hebben – die woorden gebruikte jij ook, ouderling Gilbert. En dat we inzien dat de macht van God, de macht van de tegenstander, de macht in ons, in individuele personen, de macht is om te laten zien dat we gewillig zijn om toegang te krijgen, de Heer in ons leven toe te laten.
Dat wil ik van mijn cursisten vragen: ernaar hunkeren om de Heer in hun leven toe te laten, omdat Hij de macht tot verandering is. Hij is de macht om te groeien. Dat gebeurt op honderd miljoen manieren. Je hoort president Packer nog zeggen dat je een getuigenis krijgt door het te geven. In dat proces ondervinden we de macht om zijn werk in ons leven te bespoedigen, en ondervinden we zijn veranderende, bekerende invloed die in ons ontbrandt. Het activeert – in de woorden van ouderling Christofferson van gisteravond – het activeert de kracht om Jezus Christus en zijn invloed in ons leven toe te laten.
Ik ontdek nog steeds hoe ik dit kan doen. Ik ben erg dankbaar voor mentors die mijn klas binnenlopen en zeggen: ‘Jenet, probeer dit eens, probeer dat eens.’ En ze vragen me dan altijd de cursisten te helpen hun keuzevrijheid te activeren door te ontdekken en actief deel te nemen, zodat ze de Heilige Geest kunnen voelen. Ik kan net als hen voelen dat de Heilige Geest op zeer persoonlijke wijze aan hen getuigt van de waarheid die zij nodig hebben. En dan begeven ze zich op een pad waarop ze met hun keuzevrijheid kunnen handelen om discipelen voor het leven te zijn.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Ik denk dat je benadrukt hoe belangrijk het is om zelf te handelen en dat dit heeft te maken met het activeren van keuzevrijheid. Nog iets anders? Verantwoordelijkheid nemen voor ons leerproces. Waarom leidt dat tot levenslang discipelschap? Iemand in het panel?
Broeder John Hilton III: Misschien kan ik een vergelijking delen die ik soms met mijn cursisten gebruik. De vergelijking is niet volmaakt, maar ik neem een stuk ruwe wol mee en zeg: ‘Dit staat symbool voor de Schriftteksten die we vandaag bespreken.’ En laten we zeggen dat ik een geweldige les geef en allemaal fantastische inzichten deel. Dan geef ik je heel veel wol. Dat is leuk. Je legt het op je hoofd, en dan loop je naar buiten. De wind waait en het valt eraf.
Wat er moet gebeuren, is dat de cursisten de wol kammen en kaarden. Ze moeten er een draad van spinnen, zodat ze er een wollen jas van kunnen maken die niet wegwaait als de cursist naar buiten loopt.
Ik geef die vergelijking deels om mezelf eraan te herinneren dat het niet echt mijn taak is om ruwe wol uit te delen. Ik wil dat de cursisten een jas hebben en daar moeten ze zelf iets voor doen.
Soms vinden we het zo belangrijk wat we zeggen, en ik weet dat het moeilijk is omdat we als leerkracht veel goede dingen kunnen zeggen. Maar het voert alleen tot het hart van de cursisten als ze handelen. Het moet van hun hoofd naar hun hart worden gevoerd. Dus alleen door de cursisten te laten handelen, kunnen ze discipelen van Jezus Christus voor het leven worden.
Ouderling Clark G. Gilbert: Dus, John, je moet iets fijners dan ruwe wol bereiken. Waarom moeten zij het verfijnen, en niet jij?
Broeder John Hilton III: Omdat ze het juist door te handelen voor zichzelf verkrijgen. Dus als ik maar praat en praat en praat, dan doe ik het voor ze. En het is makkelijk om als leerkracht te denken dat ik het geweldig doe.
Maar eigenlijk ben ik alleen aan het plakken. Ik plak het op ze. Maar om [het] in je te krijgen, moet jij handelen. Er is nu eenmaal geen andere manier. Oké.
Ouderling Clark G. Gilbert: Nate –
Broeder Nate Peterson: Ouderling Gilbert, nu we het daar over hebben, ouderling Christofferson ging ook zo ver, toch? Ik bedoel, wie had gedacht dat keuzevrijheid zo belangrijk is? Het doet me denken aan een figuur in een film die de hele tijd op de achtergrond zit, vanaf het begin. Misschien is keuzevrijheid het antwoord dat er al vanaf het begin is. Dat is wat hij zei. Keuzevrijheid. Ja. Om vooruitgang te maken, hebben we keuzevrijheid nodig, en voor keuzevrijheid hebben we waarheid nodig. En ik kan de waarheid in een les onderwijzen.
Maar dat is wat hij zei. Dat is een van de manieren waarop Satan de waarheid aanvalt. Ik denk dat hij het soms niet erg vindt dat we ze de waarheid leren. Maar ouderling Christofferson zei dat we die tweede aanval moeten overwinnen, door ze hun keuzevrijheid te laten gebruiken. Ik kan dus een geweldige les geven en van de waarheid getuigen. Maar om die keuzevrijheid te activeren – dat is een hoger niveau waarop ik ze vraag actief deel te nemen en te handelen. Ik laat ze die keuzevrijheid gebruiken die ze vanaf het begin hebben gehad.
Dus ze hebben keuzevrijheid nodig om die vooruitgang te maken. Voor keuzevrijheid hebben we de waarheid nodig, en de waarheid vereist een uitnodiging. Dat brengt ons weer op het punt van vooruitgang.
Ouderling Clark G. Gilbert: Uitstekend. Kaylee, wil je daar iets aan toevoegen?
Zuster Kaylee Merrill: Ik vind dat ouderling Christofferson gisteravond een mooi verband heeft gelegd. Hij had het daarbij over verbonden. Want wat is een discipel voor het leven? Iemand die verbonden sluit en nakomt. We vragen onze cursisten dus om in het klaslokaal en buiten het klaslokaal hun keuzevrijheid uit te oefenen, zodat ze op het juiste moment weten hoe ze hun keuzevrijheid kunnen gebruiken om voor de rest van hun leven verbonden te sluiten en na te komen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Ik vond het mooi dat hij zei dat verbonden individueel zijn. Ze vereisen actie en dat is de ultieme maatstaf van een discipel.
We vragen jullie allemaal, ik hoop dat jullie over dezelfde vraag nadenken. Ik wil jullie vragen om even bij die vraag stil te staan: Wat is het verband tussen verantwoordelijkheid nemen en in het bijzonder levenslang discipelschap ontwikkelen? Waarom is dat zo belangrijk?
Ouderling Christofferson zei dat het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen ons dit in seminars voor zendingsleiders onderwijzen. Ze onderwijzen het aan jongerenadviseurs. Ze benadrukken het aan ons als godsdienstleerkrachten.
Wat is het verband? Persoonlijke verantwoordelijkheid voor ons leerproces en levenslang discipelschap.
Sta hier even bij stil. Noteer wat volgens jou het verband is. Wat heb je gisteravond gehoord? Wat hoor je nu? Heb je nog andere inzichten? We pauzeren het panelgesprek een minuutje terwijl je enkele gedachten noteert.
Ik wil je vragen om dit in groepjes van twee of drie te bespreken, afhankelijk van waar je zit. Als je thuis kijkt en niemand naast je hebt zitten, zoek dan iemand met wie je het kunt bespreken.
Maar vertel aan iemand naast je wat je voelt, dan doen wij dat hier in ons panel. En ik doe mijn best dat jullie niet alles in mijn microfoon horen. Bespreek je inzichten dus even met degene naast je en laat hem of haar dat ook doen.
[Onverstaanbare bespreking vanuit de zaal]
Laten we weer bij elkaar komen. Volgens mij ziet de familie Gilbert deze nieuwe techniek wel zitten, waarbij ze op elk moment tijdens de thuisavondles de microfoon van hun vader kunnen uitzetten.
Als er iemand iets over dit onderwerp wil zeggen, wil hij of zij dan gaan staan en het aan de groep vertellen? We geven een paar mensen de beurt. Steek je hand maar omhoog en sta op. Ja, hier. O, ik dacht dat ik een hand omhoog zag gaan. Cami Anderson, ik geef jou gewoon de beurt. Bedankt. Achter je, broeder Brown. Daar, ja.
Zuster Cami Anderson: Bedankt, ouderling Gilbert, voor deze gelegenheid.
Yvonne en ik hadden het over het dagelijkse discipelschap waar ouderling Christofferson over sprak, en dat we onze cursisten dat kunnen laten zien zodat ze kunnen voortgaan in geloof en discipelschap door de beproevingen van het leven. En dat gaat verder dan hun Schriften lezen of bidden als ze het moeilijk hebben, maar ze kunnen het doen als ze heel moeilijke beproevingen moeten doorstaan en op de Heiland gericht blijven. En ze beseffen dat, hoe veel ze ook in Hem geloven, dat Hij ze overal doorheen helpt, wat hun moeilijkheden ook zijn.
Ouderling Clark G. Gilbert: Mooi gezegd. En ik vind het mooi om de context van beproevingen te gebruiken. We kunnen ons bijvoorbeeld afvragen: zullen ze zich dit herinneren als ze het moeilijk hebben? Zoals broeder Hilton zei, zal deze wol gewoon wegwaaien? Of is het iets dat ze met zich meedragen?
Nog iets anders? Kan iemand alsjeblieft een hand opsteken? Ja, oké. Naast je.
Broeder 9: Ik denk hier al mijn hele carrière over na. Toen ik een jonge seminarieleerkracht was, hield ouderling Bednar een toespraak, ‘Zoek kennis door geloof’. En hij zei dat we het vaak hebben over onderwijzen met de Geest, maar niet vaak genoeg over wat het betekent om in geloof te leren. En hij legde aan de hand van 2 Nephi 33 uit dat de Geest het woord van God tot het hart kan voeren, maar dat het van ons afhangt of het in ons hart terechtkomt. En we moeten in geloof handelen om het in ons hart toe te laten. En als leerkracht is het niet onze taak om eenvoudigweg vis uit te delen. We moeten ze leren vissen. De grootste levenslessen worden opgedaan, niet gegeven.
Die boodschap heeft zeer veel indruk op mij gemaakt. Als ik het vergelijk met ons als leerkrachten, is het niet onze taak om vooraan de klas te sporten en te laten zien hoe we gewichtheffen. Daar worden ze niet sterker van. We moeten ze vragen te handelen. Ze moeten hun eigen push-ups doen. Ze moeten zelf aan het werk om de kracht op te doen waarmee ze als discipelen voor het leven voorwaarts kunnen gaan, de kracht om hun beproevingen en moeilijkheden het hoofd te bieden.
Ik denk dus sinds die toespraak van ouderling Bednar dat het echt onze taak is om ze in geloof te laten handelen, zodat ze door te oefenen de kracht kunnen ontwikkelen om die moeilijkheden het hoofd te bieden.
Ouderling Clark G. Gilbert: En in dat opzicht is dat het verband met levenslang discipelschap. Het is het vermogen om gedurende het semester in jouw klas op te treden op een manier die bijblijft als je er niet bent.
Broeder 9: Precies.
Ouderling Clark G. Gilbert: Oké. Bedankt. Misschien nog één opmerking. Ja, broeder Bollingbroke?
Broeder Bollingbroke: Toen ik ochtendseminariecoördinator was, was een van mijn leerkrachten docent geneeskunde van het jaar aan de University of Nevada in Reno. We hadden het over onze voorbereiding, deelname en toepassing.
Hij zei toen: ‘Ja, maar uiteindelijk is dit een elleboog, broeder Bolingbroke. En we kunnen het bespreken en deelnemen, maar dit is een elleboog, en het zal altijd een elleboog blijven. Ik ben anatomiedocent. We kunnen niet praten en delen…’ Maar ik stelde hem deze vraag – en dat is wat Nate zei – dat er een balans is tussen waarheid onderwijzen en ze die laten toepassen. Ik zei: ‘Maar je studenten leren toch meer als ze hun elleboog bewegen? Als ze weten hoe die werkt? Als ze alle gewrichtsbanden kunnen zien?’
En ik denk dat ze soms in het godsdienstonderwijs ook hun eigen ervaringen kunnen hebben. Ze zullen zich de elleboog veel beter herinneren als ze die hebben bezeerd of verwond of als die voor hen van belang is geworden. Als leerkracht verklaren we dus aan ze dat ‘het huwelijk tussen man en vrouw van Godswege is geboden en dat het gezin centraal staat in het plan van de Schepper voor de eeuwige bestemming van zijn kinderen’. Maar zij moeten dat ontdekken. En als wij de waarheid alleen onderwijzen zonder iets met die elleboog te doen, dan wordt het door de wind weggeblazen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Bedankt. Ik hoop dat jullie blijven nadenken over deze vraag, want soms hoor ik van leerkrachten dat zij de deelname van de cursisten als een verplichting zien. Ze willen geen monoloog houden of zo gelabeld worden, en dan wordt er meteen gesproken over technieken, in plaats van: waarom doen we dit? Wat is het verband tussen deze vorm van deelname en persoonlijk levenslang discipelschap?
Ik wil jullie vragen om daarover te blijven nadenken, terwijl we verdergaan met enkele onderwijsmethoden om onze cursisten te helpen. Blijf alsjeblieft terugkomen op dit hogere doel: waarom we dit in feite doen.
We zetten onder meer aan tot actieve studie door de cursisten te vragen voorbereid naar de les te komen. En dat hebben we ook aan jullie gevraagd. Ik zal niet – oké, we doen het toch. Dit was de voorbereiding op de bijeenkomst van vandaag: lees ‘Zet aan tot actieve studie’ in Onderwijzen naar het voorbeeld van de Heiland; lees de toespraak ‘De macht is in hen’ die ik in januari hield; woon de devotional van ouderling Christofferson bij en denk na over deze twee vragen: Op welke manieren zette de Heiland de mensen die Hij onderwees aan tot actief leren? Hoe kan ik mijn cursisten beter helpen hun leerproces in eigen handen te nemen?
Dat was de voorbereiding. Wie van jullie hebben minstens twee van deze opdrachten gedaan? Oké.
Hoe doen we dat? Hoe nodigen we onze cursisten uit om zich op een leerervaring voor te bereiden? Wat denken de leden van het panel?
Broeder Nate Peterson: Ik denk, ouderling Gilbert, dat we daarvoor een stap terug moeten nemen. Het is geweldig, zoals John zei, als ze voor mijn les lezen, en het is geweldig als ze lezen en ik ze dan een goed cijfer geef. Maar het is nog beter als ze er een gewoonte van maken om dagelijks de Schriften te bestuderen.
Dus als ik kan uitzoomen en me afvragen: Waar vraag ik ze zich op voor te bereiden? Waarom vraag ik ze zich voor te bereiden? Dat is wat ouderling Meredith zei – je kijkt verder in die richting. Discipelschap vergt discipline.
Dus ik vraag ze niet alleen om voor de les te lezen zodat ze een goed cijfer kunnen halen, maar ik vraag ze om hun Schriften te lezen zodat ze de stem van de Heer kunnen horen. De Geest kunnen horen. Het is geweldig als ze een maand of semester lang voor de les lezen, maar nog beter als ze een gewoonte beginnen te ontwikkelen – deze terugkerende bezigheid, weet je, gewoon elke dag een beetje proberen te lezen, ook al is het om me voor te bereiden op mijn lessen. Dat is mijn kans om ze te vragen hun keuzevrijheid te gebruiken. Ja, ik wil dat je hier leest, maar ik wil ook dat je altijd leest omdat dit het woord van God is. Dat brengt licht in je leven. Zo voel je de Geest – zo hoor je het woord van God en dat helpt je na de lessen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Broeder Peterson, ik vind dit geweldig, omdat je de voorbereiding weer in verband brengt met levenslang discipelschap. En dat komt goed van pas in de les van dinsdag. Maar je zegt: ik wil de cursist helpen een patroon te ontwikkelen om zich altijd voor te bereiden. En dat is een van de redenen dat we uitnodigingen verstrekken om ze op een leerervaring voor te bereiden.
Broeder Nate Peterson: Want dat hebben ze nodig in de zondagsschool, het ouderlingenquorum en de ZHV. We willen niet dat ze alleen lezen voor de lessen. We willen dat ze zich op de avondmaalsdienst voorbereiden. We hopen dat ze voorbereid naar de tempel gaan. Het is een patroon van voorbereiding, van levenslang discipelschap.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Nog iets anders?
Zuster Jenet Erickson: Ouderling Gilbert, ik dacht – prachtig wat Nate zegt – ik dacht eraan hoe graag ik wil dat ze weten dat Jezus Christus ze heel graag wil helpen en dat Hij letterlijk voor de deur staat en aanklopt, en deel van hun leven wil uitmaken. Dus dat betekent dat ik ze moet helpen voorbereiden om te zien waarom wat we bespreken relevant is, waarom dit verhaal voor hen van belang is, waarom hun vragen in die waarheden worden beantwoord, waarom de diepste verlangens van hun hart, de macht om te veranderen en groeien en genezen te worden, en alles waarnaar ze verlangen hier in dit proces worden beantwoord.
Maar dat betekent dat ik dat voor mijzelf en hen moet geloven, en hen dan moet helpen inzien waarom het relevant voor hen is, dat het er bij Jezus Christus niet alleen om gaat dat ze iets leren. Hij verlangt ernaar Zelf waarheid, hulp, genezing en macht over hen uit te storten, door middel van wat we vandaag in de les doen, hoe ze zich daarop voorbereiden en wat ze er later mee doen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Nu ik zo naar je luister, denk ik: ik zeg altijd dat we deze teksten in de les gaan bespreken. Lees ze alsjeblieft vóór de les. Je zegt iets waar ik niet bij stilstond. Als ik ze kan laten nadenken over de relevantie, zal de bespreking in de les meer impact hebben. Dat kan zelfs invloed hebben op de vraag die ik ze van tevoren stel, of de leesopdracht die ik ze vooraf geef, omdat ik wil dat ze begrijpen waarom onze bespreking tijdens de les zo belangrijk is.
John, wil je daar iets aan toevoegen?
Broeder John Hilton III: Ik denk wel dat het belangrijk is dat ik als leerkracht ga beseffen dat ik een belangrijke taak heb om de cursisten te leren studeren. Ik denk dat de meesten van ons in de Schriften onderwijzen, dus de belangrijkste voorbereiding is Schriftteksten vooraf te lezen.
Een paar jaar geleden zei president Oaks: ‘Ik [denk] dat we als leerkracht van seminarie- en instituutscursisten hen vooral een band met de Schriften moeten laten ontwikkelen en hun de resultaten van dagelijkse Schriftstudie duidelijk moeten maken.’
Dus als ik die denkwijze diep in mijn hart heb, is dat niet een bijkomstigheid. Dat is de kern van wat ik doe. Hoe help ik ze? En ik wil nog iets toevoegen aan wat jullie zeiden. Dit betekent ook dat we de cursisten helpen om vóór de les met de Schriften bezig te zijn. En er zijn veel eenvoudige technieken om de cursisten te leren hoe ze hun Schriften kunnen bestuderen.
Soms moeten we ze gewoon helpen de Schriften te begrijpen. Ik had het afgelopen semester een cursiste die moeite had met begrijpend lezen. Mijn lessen waren gebaseerd op de Bijbel en we bespraken dat er in het handboek van de kerk staat dat we soms andere Bijbelvertalingen in onze persoonlijke studie kunnen gebruiken. En we bekeken een website met andere Bijbelvertalingen. Twee weken later kwam ze terug en zei: ‘Broeder Hilton, ik heb een Bijbelvertaling gevonden op basisschoolniveau. Dat heeft mijn Bijbelstudie compleet veranderd. Nu begrijp ik het.’
Dus als we onze cursisten enigszins kunnen helpen meer uit hun persoonlijke Schriftstudie te halen, zal dat ze het verlangen geven om te studeren. Als ze een band met Jezus Christus scheppen, willen ze studeren. Het is geen taak om af te vinken.
Ouderling Clark G. Gilbert: Weet je, dat is prachtig. En ik kan me voorstellen dat jullie allemaal vinden dat als een cursist vóór de les iets leest, dat tot een zinvollere leerervaring leidt. Heb ik dat juist?
Broeder John Hilton III: Zeker.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik bedenk vaak dat we een sociaal contract met onze cursisten hebben. Als wij ze vragen zich voor te bereiden, geeft het ze natuurlijk sowieso voldoening als ze dat doen. Maar als we die voorbereiding niet gebruiken of naar voren halen of activeren in de les, dan zeggen we eigenlijk: ‘Je hoeft je niet echt op mijn les voor te bereiden.’ We zeggen dan: ‘Ik weet dat ik het in de syllabus heb gezet, maar het maakt niet echt uit dat je je hebt voorbereid.’
En dan valt die cultuur uiteen.
Je zei dat je een gewoonte van dagelijkse voorbereiding ontwikkelt. Maar, Nate, als ze niet de kans krijgen om die voorbereiding te activeren, te gebruiken en er voordeel uit te putten, wat gebeurt er dan met hun motivatie om zich op de les voor te bereiden?
Broeder Nate Peterson: Ik denk dat we daar het verband met keuzevrijheid en discipelschap zien, dat ik ze uitnodig iets te doen. Dat heeft betrekking op de andere dingen die we bespreken – vragen stellen en ze die kansen geven.
Dus als ik ze vraag een discipel te zijn, werkt het net zoals we als zendelingen leren, zoals we in de kerk leren, door erop terug te komen. Dus in de les komen we erop terug. Krijgen ze de kans om hun discipelschap te oefenen met hun leeftijdgenoten?
En dus is het mijn getuigenis en mijn overtuiging: geloof ik oprecht dat het belangrijk is dat zij hun Schriften lezen? En zoals John zei, waarom? Omdat ik geloof dat God to mij kan spreken. Ik geloof dat ik mijn verstand voor de Geest openstel als ik de Schriften lees. Dat ik meer leer dan wat op de pagina staat.
Dus als ik dat geloof, dan moet ik ze dat leren, maar het ook doen, omdat ik, zoals je zei, geloof dat de les erop vooruit gaat. Want als de cursisten hun Schriften lezen, hun discipelschap oefenen en hun verbonden nakomen, wordt mijn les vervuld met meer licht. Mijn les gaat erop vooruit omdat ze meer stralen en ik moet ze laten oefenen met dat discipelschap. Ik moet ze in de les laten stralen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Wat betekent dat dan in de praktijk? Ik bedoel, ik weet dat ik geloof dat als ze gelezen hebben, ze meer zullen leren. Maar hoe bevestig en activeer je die voorbereiding in je les?
Jenet, jij geeft de cursus over het eeuwige gezin. Dus de cursist leest een gedeelte uit de proclamatie en wat ander materiaal, misschien een toespraak van ouderling Christofferson over het doel van een gezin. Hoe gebruik je die voorbereiding dan in je les?
Zuster Jenet Erickson: Een van de dingen die je vorig jaar zelf hebt aanbevolen, ouderling Gilbert, en wat heel goed werkt, is de cursisten in de les laten schrijven. Ik liet ze het afgelopen semester zelfs met pen en papier hun gevoelens opschrijven. Ze moeten dan telkens handelen, zelfs als ze alleen maar nadenken en opschrijven wat ze hebben meegemaakt. Het geeft goed weer wat ze hebben geleerd, wat de Geest ze heeft geleerd in bijvoorbeeld de toespraak van ouderling Christofferson. En als ze het dan met elkaar bespreken, is het, zoals jullie allemaal weten, prachtig om te zien dat de Geest van de Heer tot ze getuigt als zij in de les tot ons getuigen wat zij hebben geleerd. En dan weten ze het, omdat ze het hebben ervaren: Hij wil mijn leven verlichten, en dit is hoe het werkt, en ik heb het zelf ervaren en er in de les van getuigd.
Zelfs als ze het in kleine groepjes bespreken, kunnen cursisten die niet graag praten wel iets opschrijven. Ze komen dan met prachtige reacties omdat ze de Geest van de Heer hebben gevoeld, die hun een antwoord ingeeft dat ze nodig hebben. Vervolgens kunnen ze daarvan tot hun medecursisten getuigen. Dat discipelschap bestaat dan echt. Je kunt het echt in de les ervaren als ze zich hebben voorbereid.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik vind dat heel mooi, en ik heb dat inderdaad gezegd. Maar ik had gemerkt dat onze decaan aan de BYU dit in zijn lessen doet. We gaven vorig jaar samen les, dus daar heb ik het opgepikt. Ik heb dat nooit in mijn eigen lessen gedaan. Maar het is heel doeltreffend, Scott.
Kaylee, ik heb een vraag. Deze drie hebben een voordeel dat wij niet hebben.
Zuster Kaylee Merrill: Ja.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ze geven cijfers in hun godsdienstcursussen. We geven in het seminarie geen cijfers. Hoe geef je seminariecursisten de intrinsieke motivatie om zich voor te bereiden, waarvan ik hoop dat het iedereen, cijfer of geen cijfer, voldoening zal opleveren?
Maar zij hebben een voordeel dat wij niet hebben, ze hebben een stok achter de deur. Hoe kun je de cursisten tot voorbereiding verleiden? En kun je het wel van een seminariecursist verwachten om vroeg in de ochtend te verschijnen als ze het zo druk hebben, voorbereid op een seminarieles?
Zuster Kaylee Merrill: Ik denk dat we veel moeten veranderen. Ik denk dat we bereid moeten zijn om te veranderen. Als we willen bereiken wat ouderling Christofferson ons gisteravond heeft verteld, moet er verandering komen in onze cultuur, in onze klaslokalen. En ik denk dat jij het belangrijkste genoemd hebt. We moeten specifieke en belangrijke momenten in onze lessen reserveren waarin de cursisten bespreken wat ze hebben voorbereid, waarin de cursisten deel van het leerproces uitmaken. En ik denk dat het elke dag anders moet zijn. Maar als ze naar de les komen, moeten ze beseffen dat ze verantwoordelijkheid zullen krijgen. En als ze niet voorbereid zijn, moeten ze voelen dat er iets aan hun ervaring ontbreekt.
En dat kunnen we op veel manieren doen. Maar ik denk dat een van de veranderingen moet zijn wat ouderling Christofferson gisteravond zei, dat leerkrachten goed voorbereid moeten zijn om goed voorbereide cursisten erbij te betrekken. We moeten onze manier van voorbereiden veranderen. Als je je lessen voorbereidt op de dag zelf of de dag vóór je les, heb je niet genoeg tijd om je cursisten te helpen voorbereiden. We moeten ons lang genoeg van tevoren voorbereiden zodat we in de les ervoor, of twee of drie lessen ervoor, onze cursisten kunnen vertellen wat het plan is en wat ze moeten doen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik vind het concept van goed voorbereide leerkrachten die samenwerken met goed voorbereide cursisten mooi. Ik merkte dat er wat gelachen werd toen ouderling Christofferson dat zei. En is dat realistisch? Mogen we dat echt verwachten van een 16-jarige seminariecursist?
Zuster Kaylee Merrill: Ik geloof stellig dat als we meer van deze cursisten verwachten, ze dat niveau zullen bereiken.
Ik denk aan het verhaal over de zendelingen dat je vertelde in ‘De macht is in hen’. Als we niet veel van onze cursisten verwachten, zullen ze ook niet veel doen. En dat is wat de Heer van ons vraagt. We moeten geloven en vertrouwen in de Heer en in onze cursisten. Dat als we de cultuur veranderen, en we daar sterk en consequent in zijn, ze het zullen waarmaken. Want we weten dat het leven hoge eisen zal stellen. Dus we moeten ze in de les laten zien hoe ze daaraan kunnen voldoen.
En dat is niet makkelijk. En we zullen gaandeweg fouten maken. Maar als we consequent zijn, denk ik wel dat het mogelijk is.
Ouderling Clark G. Gilbert: Hoge verwachtingen dus. Maar sommige sceptici zullen zeggen dat je mensen niet eens naar de les van John krijgt. Ze zeggen: ja, hij legt wel wat wol op mijn hoofd. Ik hoef alleen maar aanwezig te zijn.
Hoe kunnen we dit praktisch voor elkaar krijgen? Met welke, zelfs voor jullie die een stok achter de deur hebben, met welke stimulans kun je ze aansporen zich voor te bereiden?
Broeder John Hilton III: Wat Kaylee zei is geweldig, en ik zal er in de les tijd voor vrij moeten maken. Dus ik kan vóór de les mijn stok gebruiken en zeggen: ‘Ik wil dat iedereen een alinea schrijft over wat je hebt geleerd.’ Dat betekent dat ik in de les drie of vier cursisten moet vragen wat ze hebben geleerd. En dat mag geen bijkomstigheid zijn. Ik moet me in de les flexibel opstellen om daarop voort te bouwen. Ik moet uiteindelijk minder zeggen en de cursisten de ruimte geven om meer te zeggen.
Zuster Jenet Erickson: Een geweldige leerkracht, Faith Spencer uit Roosevelt (Utah), vertelde me gisteravond wat een voordeel het is om elke dag aan seminariecursisten les te geven. Ze zei dat als ze twee dagen van tevoren weet waar de les over gaat en ze een paar van de cursisten vroeg – ze liet wel alle cursisten zich voorbereiden of over de stof nadenken. Maar ze zei dan tegen een paar cursisten: ‘Ik weet dat je hierover iets hebt gevoeld of ervaren. Wil je je voorbereiden om er morgen iets over te vertellen?’
En wat indruk op haar maakte, was dat toen ze hun getuigenis gaven, de andere cursisten ook wilden meedoen. Zij wilden dat ook ervaren. En de keer erna waren er anderen die hadden gezien welke impact het op hun medecursisten had, en zij wilden het ook doen, en hun eigen getuigenis geven, over hun eigen ervaring vertellen.
Het is geweldig dat seminarieleerkrachten zo creatief zijn om 14-, 15- en 16-jarigen bij het leerproces te betrekken. Dat inspireert mij.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik vind dat een geweldig idee, en er zijn ook cursisten die verlegen zijn of het moeilijk vinden om actief mee te doen. En een beetje voorbereiding is niet alleen een signaal naar de rest van de klas dat iemand hierover heeft nagedacht, maar kan ook iemand erbij betrekken die niet van plan was of misschien niet bereid was mee te doen.
Laat ik naar de volgende vraag gaan: meedoen, onderwijzen wat je leert, met anderen samenwerken in de les. Hoe help je de cursisten in de les van hun leeftijdsgenoten te leren? Hoe doe je dat?
Broeder John Hilton III: Hoe doe je dat? Ik denk dat het heel belangrijk is dat de cursisten begrijpen waarom ik wil dat ze iets vertellen.
Je zei eerder dat het soms haast voelt alsof ik dit als leerkracht moet afvinken. Ik wil geen monoloog houden, dus iedereen moet dertig seconden met een medecursist praten. Maar ik kan de cursisten ook echt duidelijk uitleggen dat we persoonlijke ervaringen met elkaar kunnen delen, net zoals God ons openbaring geeft. Misschien is er een cursist die een vraag in haar hart heeft. En heb ik geen ervaring die echt tot haar kan doordringen. Maar jij wel. Dus kom in gebed naar de les en denk niet alleen: wat kan broeder Hilton mij bieden? Maar: wat heb ik te bieden? Dan kan de Geest jou inspireren om over de ervaring te vertellen die zij nodig heeft. Dan kunnen de cursisten het waarom begrijpen, dat we dit niet alleen doen omdat het moet.
En zelfs aan het eind van de les, omdat ik niet denk dat we deze dingen alleen in de les aan elkaar moeten vertellen, zeg ik aan het eind van de les: ‘Kijk, er zijn hier veertig cursisten, en stel dat we allemaal tien mensen kennen. Samen kennen we dus vierhonderd mensen. En een paar daarvan hebben waarschijnlijk heel hard nodig wat wij vandaag hebben besproken. Dus denk na de les in gebed na wie in jouw omgeving nodig heeft wat jij vandaag hebt ervaren. Dan kun je daar ook buiten de les over vertellen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Nog iets anders?
Zuster Kaylee Merrill: Ik heb tijdens mijn voorbereiding en studie gemerkt dat er een verband is tussen – er is een sectie in Leading in the Savior’s Way over keuzevrijheid. De Heiland respecteert onze keuzevrijheid. En er staat daar een zin in die mij is bijgebleven: ‘Geef anderen bovendien duidelijke verwachtingen, voldoende training, tijd en ruimte om zelf te handelen.’
Ik denk dat we onze les kunnen inrichten op een manier dat ze weten wat er van ze verwacht wordt. Zoals je zei, ze weten waarom we het doen, maar dan geven we ze de tijd en ruimte om zelf te kunnen uiten wat ze denken, wat ze voelen, wat ze leren.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik vind het geweldig om ze de ruimte te geven en soms kun je je les zo inrichten. Je kunt het ook na een vraag doen. En de beste manier om deelname aan de klassikale bespreking te ontmoedigen, is een vraag te stellen, en geen tijd voor een antwoord te laten maar de vraag gauw zelf te beantwoorden.
Dan weet elke cursist dat broeder Gilbert wel te hulp schiet en dat zij niets hoeven te zeggen. En die lange, ongemakkelijke stilte zullen ze maar één of twee keer willen verduren voordat iemand zijn hand opsteekt. Dit is heel belangrijk en je cursisten kunnen dat.
Ik weet nog dat we in mijn tijd aan BYU–Idaho het leerplan van BYU–Idaho introduceerden. Ik zat in een ringpresidium en de ZHV-presidente van de ring zei: ‘Ik ga deze les elke week in een wijkconferentie geven.’ Dat was destijds volgens mij tijdens het derde uur. Ik zei: ‘O, deze studenten willen …’ – en ik heb haar zien proberen les te geven. Ze zou deze studenten aan BYU–Idaho wel eens een hoorcollege van 55 minuten geven.
Toen gebeurde er iets wonderbaarlijks: mensen staken hun hand op, zelfs als een vraag niet werd beantwoord, omdat hun tijdens de lessen aan BYU–Idaho keer op keer gevraagd werd om actief mee te doen. Ze konden er niet tegen om 55 minuten lang naar een monoloog te luisteren.
De studenten bleven hun hand opsteken, maar ze gaf niemand de beurt. Dus staken de studenten hun hand op en begonnen gewoon te praten. Zij vroeg zich af: wat is er aan de hand met de studenten aan deze universiteit? Uiteindelijk zei ik: ‘Ze zijn het gewend om actief mee te doen. Je moet ze die kans geven, zodat je les meer diepgang krijgt, maar dan moet je wel een deel van je materiaal opgeven.’ Dus dit patroon om de cursisten de tijd en ruimte te geven is heel mooi en belangrijk.
Kijk, er zijn mensen – en ik weet dat er zelfs goede, bedachtzame, liefdevolle leerkrachten zijn – die zeggen: ‘Jullie zijn gek. Jullie vragen ons om iedereen maar z’n gang te laten gaan. Laat iedereen maar praten. Ouderling Gilbert zet ons in groepjes en herhaalt alle goede opmerkingen wel weer. En we weten niet eens of iemand iets leert.’
En Nate, hoe zorg je ervoor – want je moet mijn verhaal aan het begin over de casestudy die ik had geschreven niet opvatten alsof mijn achtergrond en deskundigheid er niet toe doen. Het was een hindernis omdat ik de studenten niet liet leren. Maar het doet er wel toe als het ons meer diepgang geeft. Met die diepgang kan ik meer doen dan wanneer ik alleen zou zeggen: ‘We maken groepjes en dat is alles wat we vandaag gaan doen.’ Hoe voorkom je dat een les waarin deelname centraal staat nietszeggend en ongestructureerd wordt, waarin iedereen gewoon z’n gang kan gaan?
Broeder Nate Peterson: Ik denk, zoals jij zei, ouderling Gilbert, dat we dat soms meemaken – en jij zegt dan: het is geen hoorcollege. Soms slaan we dan helemaal door naar het andere uiterste. We nemen de zak met pinda’s mee, gooien ze over de vloer en laten de apen los. Zo ziet onze les er dan uit.
Hij zegt alleen dat we moeten gaan praten. En het is makkelijk om de cursisten te laten praten over wat er bijvoorbeeld op sociale media gebeurt. Maar ik denk dat we een betere discussie hebben als we op zoek gaan naar discipelschap. Dat zijn ankerpunten. We willen een beroep doen op keuzevrijheid.
Dan gaat het er, zoals Kaylee zei, om dat ik doelmatig moet plannen. En ik gebruik daarbij wat jij zei, ik bedenk drie boeiende vragen als ik mijn les doelmatig plan. Ik wil dus niet dat ze zomaar wat zeggen, ik wil niet dat ze zomaar over de Schriften spreken en ik wil niet dat ze zomaar de waarheid bespreken. Er moet een plan en een doel zijn.
En in ‘Strengthening Religious Education’ staat dat we willen dat ze diepere kennis opdoen, diepere gevoelens ontwikkelen en meer doen om een beter mens te worden. En dat betekent dat ik, zoals Kaylee zei, daarvoor moet plannen, door bijvoorbeeld drie centrale vragen te bedenken. Dan praten we niet zomaar over iets, maar gaan we – zoals jij zei, Jenet – de les in door te zeggen: dit is een probleem. Ik moet het wellicht introduceren. Maken we het relevant aan de hand van een probleem? President Nelson heeft gezegd dat we allemaal zullen sterven. Er zal over ons allemaal geoordeeld worden. We zullen allemaal opstaan. Dus ik geef die context en dan gaan we naar de Schriften. Dat is het proces. Dus ik heb een vraag bedacht: ‘Hoe gaan we dit oplossen? O nee, we gaan allemaal dood.’ We zoeken dan het antwoord in de Schriften. Dat is het proces.
En zo gaat het van mijn hoofd – ik weet en begrijp iets – naar mijn gevoel. Maar daarna moet het naar hun handen gaan, waar ze gaan handelen. Dus het draait om boeiende vragen: Wat is ons probleem? Hoe kunnen we het oplossen? En wat ga jij daar dan aan doen? Als ik conceptvragen bedenk en dat allemaal doorneem, of we het nu hebben over ellebogen of pianospelen of basketbal, dan zeg ik als leerkracht niet: ‘Speel de piano maar of kijk mij eens scoren.’ We geloven immers – het doel van BYU–Idaho is discipelen voortbrengen, discipelen van Jezus Christus. Dat betekent dat we moeten oefenen.
Dus in mijn les moeten ze oefenen zodat ze buiten de les echte discipelen kunnen zijn.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik vind het mooi wat je zegt – dat gepraat en gebabbel niet betekent dat we diepgaand leren.
En je hebt een paar dingen gezegd. Zijn de vragen die we stellen de juiste vragen of zijn het diepgaande vragen? Oefen je weleens vooraf om die vraag twee of drie lagen dieper te brengen? Je had het over problemen. Hoe we de les rond een specifiek probleem structureren. Ik denk dat de les dan meer betekenis kan krijgen.
Nog iets anders over structuur en diepgaand leren? Dus niet alleen deelname is belangrijk, maar ook dat mensen nadenken, hun keuzevrijheid gebruiken en dieper gaan.
Zuster Kaylee Merrill: Wat best moeilijk voor mij was om te accepteren was dat deze onderwijsmethode niet efficiënter is. We moeten bepaalde dingen opgeven. We moeten kostbare tijd opgeven. Zoals je zei, soms willen we zelf aan het woord zijn en die tijd nuttig besteden, maar dat moeten we opofferen voor iets beters: die diepgaande leerervaring. Dat is misschien niet efficiënter, maar zeker wel effectiever. En ik denk als we die omslag in ons hoofd kunnen maken, dat we dat offer dan makkelijker brengen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Dus ik behandel wat minder materiaal in de les. En ik ga dieper, en dat is misschien wat rommelig, maar ik blijf als leerkracht dieper gaan.
Ik weet nog dat we aan BYU–Idaho het online onderwijs opzetten. Het was niet broeder Bolingbroke; ik zeg niet wie het was, maar iemand zei tegen me: ‘O, president Gilbert, waarom neem je niet gewoon een college van mij op, dan zetten we dat online zodat ze daar naar kunnen kijken?’ En ik zei: ‘Nee, zo gaan we het niet doen.’
Als we alleen maar eenzijdig praten, kunnen we het gewoon opnemen en bekijken. We kunnen dan doen wat die hoogleraar voorstelde en zijn college opnemen. Dan hoeven ze niet eens naar de les te komen, want ze doen helemaal niets anders dan luisteren. En dat kunnen we allemaal in het voorbereidingsmateriaal stoppen. Toch? Zijn er andere manieren waarop je het leerproces in de les kunt verdiepen zodat het meer dan gepraat is?
Zuster Jenet Erickson: Ouderling Gilbert, ik genoot van je woorden en dacht aan iets krachtigs, iets kostbaars in de Leer en Verbonden: ‘opdat […] allen opgebouwd zullen zijn.’ De instructie is dat iedereen tijdens de les in zekere zin leerkracht wordt.
En ik denk, John, dat we het in die context moeten zien, als we geloven dat, zoals ouderling Christofferson duidelijk maakte, we elke dag fundamentele waarheden proberen te onderwijzen. Ik heb een diep verlangen dat ze sommige waarheden beter begrijpen. En ik zie ook in dat ze door Hem kunnen worden , en dat ik en dat wij die waarheid samen nodig hebben om te worden opgebouwd door de waarheid die ik in mijn les centraal probeer te stellen.
En dus komt het weer neer op vragen, denk ik, waarmee ze hun vermogen kunnen vergroten om openbaring te ontvangen met betrekking tot dat onderwerp en dat met de klas kunnen delen. Dat vergt een zeer bedachtzame voorbereiding van de vragen die hun ter voorbereiding gesteld worden. En dan denk ik dat ze kunnen ervaren hoe het is om samen opgebouwd te worden, dat ik het niet alleen had gekund. Ik had je niet zelf kunnen leren wat jij over deze waarheid moest leren. Dat de waarheid wordt verspreid door openbaring aan ons allemaal, maakt dit een krachtig beginsel.
Dus daar richt ik me op en ik maak gebruik van wat zij over dat beginsel leren van de Geest.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig. Ik wil jullie allemaal vragen om over deze vraag te blijven nadenken en deze later te bespreken tijdens een afdelingsbijeenkomst of leerkrachtentraining. Maar hoe zorgen we ervoor dat deelnemergericht leren diepgaand leren is? Hoe richt ik een les in op een manier dat de cursisten actief meedoen, maar dat ik ze ook aanspoor dieper te gaan?
We hebben enkele voorbeelden gehoord van vragen en problemen om het leerproces te verdiepen tijdens de les. Ik denk dat een gelijkenis daarvan een prachtig voorbeeld is, omdat je daar echt voor moet gaan zitten en jezelf moet afvragen: wat betekent het? Het is niet mogelijk om dat in deze grote groep te doen. Maar ik hoop dat jullie dit allemaal zullen doen. Want we willen echt dat jullie het leerproces verdiepen door de cursisten actief te laten meedoen. Maar we willen geen nietszeggende les met een aantal snelle antwoorden.
We vragen jullie om te bedenken hoe je de leerervaring tijdens de les kunt verdiepen door verder te gaan dan het eerste antwoord. En John, jij zei eerder iets over een manier die zuster Merrill noemde: geef ze ruimte. Geef – creëer – hiervoor de ruimte. En jij zei dat we ze ruimte kunnen geven door ze hun eigen vragen te laten stellen.
Kun je daar iets meer over zeggen?
Broeder John Hilton III: Ja, we hebben het gehad over onze eigen voorbereiding van vragen, en dat is geweldig.
Een persoonlijke ervaring: jaren geleden gaf ik als jonge, onervaren leerkracht les over de wet van kuisheid. Ik vond het zelf een geweldige les. Waarom is het zo belangrijk? Hoe kunnen we de wet van kuisheid naleven? Aan het eind had ik wat tijd vrij gehouden voor vragen. Een cursist steekt haar hand op en zegt: ‘Broeder Hilton, wat als iemand de wet van kuisheid heeft overtreden? Is er nog hoop voor hem of haar?’ En ik moet helaas toegeven dat ik als onervaren leerkracht niet van plan was over die vraag te praten, maar het was duidelijk een van de belangrijkste vragen die we hadden kunnen behandelen.
En omdat we haar de ruimte gaven voor haar vraag, konden we dieper leren. Nu, als meer ervaren leerkracht, kan ik dat zien aankomen. Maar zelfs de meest ervaren leerkracht kan niet elke nuance, elke ervaring van een cursist zien aankomen. Dus soms moeten we even stilstaan en zeggen:
Ouderling Clark G. Gilbert: Waar zijn zij?
Broeder John Hilton III: ‘Laat maar even bezinken. Welke vragen hebben jullie?
Ouderling Clark G. Gilbert: Wat betekent dat in de praktijk voor jouw les? Wanneer doe je dit? Is het formeel? Is het onregelmatig? Gebeurt het meerdere keren?
Broeder John Hilton III: Ik denk dat je het op veel manieren kunt doen. Soms vind ik het leuk om een Google Doc op het scherm te zetten met een QR-code. Voer je vraag anoniem in. Maar soms kun je gewoon even stilstaan en de cursisten iets laten opschrijven.
Want als ik zeg: ‘Welke vragen hebben jullie?’ Vijf seconden. Geen vragen. Oké, we gaan verder. Maar als ik zeg: ‘Laten we dertig seconden nemen om alles even te lagen bezinken. Wat hebben we besproken? Welke vragen heb je, uit de Schriften of over de toepassing op jezelf?’ En ik beantwoord de vragen dan liever niet zelf, maar laat ze de vraag soms aan iemand stellen die naast ze zit zodat hij of zij daarop kan reageren.
Dit kan ons op veel verschillende manieren helpen om een dieper niveau te bereiken.
Ouderling Clark G. Gilbert: Dat is echt krachtig. We bespreken nog één onderwerp, en daarna sluit ik met enkele uitnodigen en opvolgingen.
Je op een leerervaring voorbereiden, de kans hebben om te vertellen wat je leert – dat zijn gelegenheden om verantwoordelijkheid te nemen voor je eigen leerproces.
Een derde manier die wordt genoemd in die sectie van Onderwijzen naar het voorbeeld van de Heiland die jullie moesten lezen, is cursisten de kans geven het geleerde buiten de les toe te passen. Op welke manieren doen jullie dat? En hoe proberen jullie er aan het eind van de les voor te zorgen dat het geleerde ze buiten de les of bespreking bijblijft?
Zuster Kaylee Merrill: Kan ik hier een draai aan geven? Ik heb hier bij stilgestaan en iets vergelijkbaars gedaan, maar ik kijk ernaar uit om dit het komende jaar te proberen.
We hadden het over voorbereiding en vooral over onze voorafgaande studie van de leesopdracht. Maar wat als de toepassing de voorbereiding was? Stel je voor dat je over twee weken een les over vasten hebt, en je een paar weken eerder vijf minuten tijdens de les bespreekt waar jouw cursisten mee worstelen. En dan nodig je ze uit: ‘Wil je komende week een dag hiervoor vasten?’
Als je dan de les over vasten hebt, hebben ze het al ervaren. Is de kans dan niet veel groter dat ze tijdens de les iets te vertellen hebben? En is de kans ook niet groter dat ze dat na de les weer doen? Ze hadden namelijk een eigen ervaring, maar hebben er ook over verteld en van getuigd.
En zoals je zei, je getuigenis groeit door het te geven. En ik denk dat de kans dan toeneemt dat ze het later toepassen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Prachtig, het idee dat de toepassing deel kan uitmaken van de voorbereiding.
Zuster Kaylee Merrill: Het werkt niet altijd voor elk beginsel, maar je kunt het op veel manieren toepassen.
Ouderling Clark G. Gilbert: Nog meer gedachten?
Broeder John Hilton III: Een andere gedachte is – ik denk dat jij het eerder al zei, Nate – gewoon opvolgen. Dus dat betekent dat we in de les iets meer de tijd nemen om te zeggen: ‘In onze vorige les hadden we het over deze uitnodiging. Wat heb je daarmee gedaan?’
Als ik altijd uitnodigingen geef, maar nooit opvolg, dan is het net als wat jij zei. Als ik een vraag stel en dan zelf het antwoord geef, beseffen de cursisten al snel: o, het maakt hem niet uit. Maar als ik aan het begin van de les consequent opvolg: ‘We hebben het over vasten gehad’ of ‘We hebben het over dit beginsel gehad’, zullen de cursisten beseffen: o, dit doet ertoe. Het is belangrijk.
Broeder Nate Peterson: Er is iets wat ik nog aan het uitzoeken ben. Dus misschien kan dit een uitnodiging zijn. Mogen we huiswerk opgeven?
Ouderling Clark G. Gilbert: Ga je gang.
Broeder Nate Peterson: Je zei dat we enkele uitnodigingen zullen geven. Het was gisteravond. Ouderling Christofferson gebruikte denk ik vier of vijf keer de woorden in eigen hand nemen. Jij [ouderling Gilbert] gebruikte de woorden in eigen hand nemen.
Dus ik ben die woorden opnieuw gaan bestuderen. In ‘Zet aan tot actieve studie’ wordt over in eigen hand nemen gesproken. Ik probeer dat beter te begrijpen. Dus hier is de opdracht: wat is het verband tussen discipelschap en eigenaarschap, en waarom?
En misschien kun jij, ouderling Gilbert, daar aan het eind iets over zeggen: waarom komt dat woord steeds terug? Als ik wil dat ze discipelen zijn, denk ik eerder aan rentmeesterschap, dat is onze keuzevrijheid. God heeft ons die gave gegeven. Discipelschap is wat we met die gave doen. Maar we houden ervan eigenaar te zijn van dingen. We willen onze eigen auto. We willen ons eigen huis. En om een of andere reden komt dat eigenaarschap steeds terug in verband met discipelschap.
Ouderling Clark G. Gilbert: En het komt rechtstreeks van de profeet in dat citaat – dat ouderling Christofferson uit ‘Kiezen voor de eeuwigheid’ haalde. President Nelson zegt: ‘Ik smeek je het heft van je getuigenis in eigen hand te nemen. Werk eraan. Maak het deel van jezelf. […] Voed het zodat het zal groeien.’ Maar het is waar – hij smeekt ons en al onze jongvolwassenen om het heft van hun getuigenis in eigen hand te nemen.
Broeder Nate Peterson: En ik denk – mag ik daar iets aan toevoegen?
Ouderling Clark G. Gilbert: Ga je gang.
Broeder Nate Peterson: Ik denk dat dat te maken heeft met wat we willen dat ze daarna doen? Ze komen naar de les, oefenen in hun discipelschap, maar ik wil dat ze zich dat eigen maken. Ik ben er namelijk niet bij tijdens hun tempelaanbevelingsgesprek. Ik ben er niet bij wanneer ze verleid worden. Ik ben er niet bij wanneer ze beproefd worden.
Maar als ze zich de waarheid en discipelschap eigen maken, en zich hun keuzevrijheid eigen maken, dan denk ik dat er iets is – en ik begrijp het nog niet helemaal, maar ik wil het verder bestuderen. Als zij zich de waarheid eigen kunnen maken als ze de les verlaten, dan denk ik – ik denk dat je dat van ons vraagt, dat ik het mij eigen maak. Ik moet het zelf hebben.
Ouderling Clark G. Gilbert: Ik glimlach omdat ik hem hoor zeggen: wij zijn er niet bij als zij al hun levenskeuzes maken. Ik herinner me dat mijn jongeren in de binnenstad van Boston op een avond allemaal grapjes maakten: ‘Ja, telkens als ik iets slechts wil doen, beeld ik me in dat Clark op mijn schouder zit en zegt: “Dat mag je niet doen.”’ Wel, hij moet het doen omdat hij het wil doen, niet omdat hij zich inbeeldt dat zijn leerkracht of jongemannenleider hem vertelt dat hij het niet mag doen.
We gaan iets doen wat we niet hadden gepland, maar John stelde voor om ruimte voor vragen te bieden. Sommigen van jullie denken vast: o nee, ik moet vóór elke les een opdracht voor de cursisten bedenken? En dan moet ik ze erbij betrekken? Ik moet allemaal vragen bedenken en nu moet ik ook diepgaander leren in de les stimuleren? En dan moet ik het ze laten toepassen? En sommigen van jullie zeggen vast: Ouderling Gilbert, ik geef woensdag weer les, en de week erna en de week daarna. Hoe kunnen we dit doen? En velen van jullie hebben vast vragen voor dit panel.
Ik wil een paar minuten de tijd nemen zodat jullie dit panel enkele vragen kunnen stellen die ik niet naar voren heb kunnen brengen. Dus als er tijdens ons gesprek een vraag bij je is opgekomen, sta dan alsjeblieft op en stel die aan ons panel.
Ja, en ik kan niet zo goed zien wat er achterin gebeurt. Vertel maar wie je bent.
Zuster 12 (Faith Spencer): Hallo, ik ben Faith Spencer. Ik wil graag weten hoe jullie je elk als individu op dit panel hebben voorbereid, wetende dat jullie iets moesten vertellen.
Zuster Kaylee Merrill: Veel tijd.
Ik denk dat ouderling Gilbert dat heeft gezegd in ‘De macht is in hen’. Als de cursisten weten dat ze iets moeten vertellen, zullen ze daar verantwoordelijkheid voor nemen. Ze zullen doen wat van ze verwacht wordt. En dat was ook mijn gevoel, omdat ik wist dat ik iets moest vertellen.
Ik voelde me erg nederig en vroeg me af wat ik moest weten zodat ik dat kon vertellen. En ik ben erachter gekomen dat ik wil dat mijn cursisten dat ook ervaren. Ik wil dat ze het gevoel hebben: als ik vandaag naar de les ga, kan ik niet gewoon gaan zitten. Ik moet – er komt een moment dat ik iets moet zeggen en ik wil dan iets te vertellen hebben.
Ouderling Clark G. Gilbert: Bedankt. Andere vragen?
Zuster Jenet Erickson: Ik dacht het volgende toen ik over je vraag nadacht. Ik bedacht en voelde dat de Heer wil dat ik een effectiever leerkracht ben, en hun keuzevrijheid beter kan aanwakkeren en activeren.
Dus ik dacht na over een collega die aan het begin van het semester de cursisten vroeg vóór de les een half uur de tijd te nemen om naar de Geest te luisteren om te weten wat ze nodig hadden, en dan doelen te stellen waar ze in de les aan kunnen werken en meer over kunnen leren.
Toen ik over dit panel nadacht, voelde ik dat de Heer van mij houdt. Hij wil me helpen een effectiever leerkracht te zijn. Hij wil die cursisten zegenen. En het is een voorrecht dat Hij me de kans geeft om daarover na te denken en dit te bestuderen. Uiteindelijk kan ik dan anders handelen. En ik wil dat mijn cursisten dezelfde krachtige ervaring hebben. Deze les draait er helemaal om dat de Heer jou zegent om te zijn wie je moet zijn. Daarom geeft Hij je het voorrecht om hier van Hem te leren.
Ouderling Clark G. Gilbert: Bedankt. Nog een vraag.
Zuster 13: Staat de microfoon aan? O, sorry. Ik geef les in het seminarie voor cursisten met bijzondere behoeften. En de meeste, misschien zelfs alle, cursisten zijn non-verbaal. Hoe is dit van toepassing op hen?
Ouderling Clark G. Gilbert: Wat doe je nu al?
Zuster 13: We doen heel veel, we drukken afbeeldingen af en lamineren die, en laten ze verschillende dingen in de les kiezen. We betrekken ze bij de Schriftteksten kerkleerbeheersing door ze gelamineerde strookjes papier te geven. En we bespreken de Schriftteksten kerkleerbeheersing. We doen tijdens de les veel met gebarentaal. Het is een mooie ervaring.
Broeder John Hilton III: Ik wil hier wel iets over zeggen, maar ik heb geen ervaring met bijzonder onderwijs. Ik bereid me momenteel voor op een cursus in de herfst, en voordat ik werd uitgenodigd voor dit panel, was ongeveer 99 procent van mijn voorbereiding op deze cursus: wat ga ik onderwijzen? Het was allemaal gericht op de inhoud, maar na mijn werk voor dit panel ben ik andere vragen gaan stellen. Ik bereid me nu meer voor door te vragen: Hoe kan ik de cursisten helpen zich op de les voor te bereiden? Hoe kan ik de cursisten laten handelen? En toen ik die vragen aan mijn hemelse Vader voorlegde, ontving ik antwoord.
Dus hoewel ik het specifieke antwoord op deze vraag over bijzonder onderwijs niet heb, weet ik dat onze hemelse Vader dat wel heeft. En ik kan getuigen dat als wij zulke moeilijke vragen aan onze hemelse Vader voorleggen, we de persoonlijke antwoorden ontvangen die onze cursisten nodig hebben.
Zuster Jenet Erickson: Die omslag in de leerkracht is heel mooi. We houden van onderwijzen en denken graag: hoe kunnen wij effectief lesgeven? Maar nu denken we: wat is de ervaring van de leerling? Hoe kunnen ze door muziek de Geest voelen? Hoe kunnen ze door op een bepaalde manier met anderen om te gaan de Geest voelen?
Door me te richten op hun ervaring heb ik ook, net als John, dat verlangen gevoeld om die omslag te maken. Wat is hun ervaring in de les?
Ouderling Clark G. Gilbert: Had je iets? O. O, iemand anders. O, ze zeggen dat ze de microfoon uitzetten als we niet afronden. Ik ga afsluiten. We hebben geen tijd meer. We hadden jullie voorafgaand aan deze bijeenkomst gevraagd om je voor te bereiden en na te denken over de vraag: Hoe kan ik mijn cursisten beter helpen verantwoordelijkheid voor hun leerproces te nemen?
Ik geef opnieuw mijn eerdere uitnodiging. Neem een minuut de tijd om te noteren wat jij vandaag zelf hebt geleerd. En ik stop gewoon even. Ik denk dat we wel een paar minuten hebben dus ik stop een minuut. En ik wil dat je één ding opschrijft dat je vandaag geleerd hebt. Misschien was het iets wat wij niet hebben gezegd. Wat heb jij vandaag geleerd waardoor jij een betere leerkracht kunt zijn?
Neem een minuut de tijd om dat op te schrijven voordat we afronden.
Als je nog niet klaar bent, blijf er dan over nadenken. En alsjeblieft, in de komende weken zal ik je vragen om twee dingen te doen met wat je hebt opgeschreven: bespreek het met iemand anders en stel jezelf ten doel om je eigen onderwijs te verbeteren op basis van je ingeving.
Ik wil afsluiten met de volgende gedachte. Allereerst wil ik mijn panelleden bedanken. Het zijn geweldige leerkrachten en ik heb vandaag veel geleerd van ons gesprek en onze voorbereiding. Ik wil ook graag jullie allemaal bedanken. Ik weet dat veel van jullie je met hart en ziel in jullie taak storten. Ik vond het bijzonder wat ouderling Christofferson gisteravond zei, dat jullie letterlijk voorop gaan in de toekomst van deze kerk.
Tot slot geef ik mijn getuigenis dat wij in de kerkelijke onderwijsinstellingen jonge mensen in de hele kerk voorbereiden om te groeien en discipelen voor het leven te worden. En dat gebeurt nergens zo zinvol als binnen het godsdienstonderwijs in de kerkelijke onderwijsinstellingen, in het seminarie, op een van onze campussen en in het instituut. En jullie helpen ze meer verantwoordelijkheid te nemen zodat ze discipelen van Jezus Christus voor het leven kunnen worden. Ik weet dat een van de belangrijkste redenen dat de kerk zo veel investeert in wat wij doen en in iedereen die bij dit werk betrokken is, is omdat zij geloven dat dit ertoe doet. En als president Nelson zegt: ‘Ziet u wat er voor onze ogen gebeurt?’, dan hoop ik dat dat tot je doordringt. Het aantal inschrijvingen voor het seminarie in deze kerk heeft een recordhoogte bereikt, zowel qua aantal cursisten als het percentage dat deelneemt.
Inschrijvingen in onze universiteiten blijven records verbreken, terwijl in deze tijd veel mensen geen hoger onderwijs volgen. En het instituut is nog nooit zo talrijk geweest in de geschiedenis van de kerk.
Het is onze taak om iedereen die ons klaslokaal binnenloopt te helpen verantwoordelijkheid voor hun eigen leerproces te nemen. In de woorden van president Nelson maken wij ‘een volk klaar […] om de wereld te helpen zich op de wederkomst van de Heer voor te bereiden.’
Mogen we dat rentmeesterschap nuchter, nederig en vol vertrouwen uitvoeren. De Heer zal ons helpen dat met macht en kracht in onze taak te doen. Dat laat ik bij jullie achter in de naam van Jezus Christus. Amen.