Levenslang discipelschap is ons doel
Het effect van goed evangelieonderwijs
Devotional conferentie voor medewerkers van de kerkelijke onderwijsinstellingen, 12 juni 2025
Ik kom uit Tennessee, middenin de Biblebelt. Op de middelbare school was ik lid van de organisatie The Fellowship of Christian Athletes. Je zou het niet denken als je me nu ziet, maar vroeger was ik best sportief en fit. Een paar jaar geleden stuurde mijn moeder mijn vrouw een foto van mij op de middelbare school, met een hoofd vol haar, en wat spierballen. Ze voorzag de foto van de troostende woorden: ‘Je hebt in de opstanding iets om naar uit te kijken.’
The Fellowship of Christian Athletes was en is een organisatie met een geweldig doel. Het was een gemeenschap van sporters uit verschillende geloofsrichtingen die allemaal in Christus geloofden. Aan het eind van mijn voorlaatste jaar op de middelbare school werd ik verkozen als president van de club op mijn school voor het jaar erna.
Mijn naam en kerklidmaatschap werden voorgelegd aan het hoofdkantoor van de club in onze staat. Kort daarna hoorde onze faculteitssponsor dat er een nieuwe naam moest worden ingediend. Onze sponsor vertelde mij dat ik geen president kon zijn omdat zij leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen niet als christenen erkenden. Mijn geloof was nog nooit zo op de proef gesteld.
Er werd een nieuwe president gekozen, maar een paar maanden later hoorde ik dat enkele vertegenwoordigers van de kerk met The Fellowship of Christian Athletes hadden gesproken en dat het probleem was opgelost. Ik bleef actief in de groep omdat de leden heel goede mensen waren.
Aan het eind van elk schooljaar verkiest de club in elke middelbare school een sporter van het jaar. Aan het eind van mijn laatste jaar verkozen mijn leeftijdgenoten in The Fellowship of Christian Athletes mij tot sporter van het jaar. Ik moet toegeven dat het heerlijk rechtvaardig voelde. Een jaar eerder werd ik niet eens als christen erkend, en nu kreeg ik hun onderscheiding.
Mijn naam en kerklidmaatschap werden weer voorgelegd aan het hoofdkantoor van de club in onze staat. Maar weer kreeg onze faculteitssponsor te horen dat er een nieuwe naam moest worden ingediend. Blijkbaar was het probleem toch niet opgelost.
Onze sponsor, tevens mijn coach voor American football en worstelen, zei dat hij had geëist dat iemand van het hoofdkantoor mij op onze middelbare school kwam bezoeken om de beslissing, waar hij niet achterstond, uit te leggen.
Een heel aardige man met goede bedoelingen sprak met mij af. Wij spraken elkaar in het lokaal van mijn coach toen hij een uur vrij had. De man wilde mij uitleggen waarom leden van onze kerk niet als christenen werden gezien.
Hij haalde een papiertje uit zijn tas. Op het papiertje stonden tien leerstellige punten van onze kerk die volgens hem in strijd waren met hun definitie van het christendom. Je kent de punten wel: wij geloven dat de Godheid uit afzonderlijke Personen bestaat, dat er Schriftuur naast de Bijbel bestaat, enzovoort.
Hij besprak die punten op een vriendelijke en zelfs christelijke manier. Hij was een goed mens; hij had het alleen fout. Hij deed zijn tas open, stopte zijn papiertje weg en vroeg me oprecht of ik vragen had.
En ik zei: ‘Ja.’ Ik zei: ‘Is dat een Bijbel in uw tas?’
En hij antwoordde: ‘Ja.’
Ik vroeg: ‘Kunnen we een paar Schriftteksten opzoeken?’
Ik moet zeggen dat ik heel goede seminarieleerkrachten had. En wij waren erg goed in tekstenjachten. In die tijd hadden we elk jaar veertig Schriftteksten kerkleerbeheersing. Elke vrijdag aten we tijdens de seminarieles donuts en deden we een tekstenjacht, die ik altijd veel te graag wilde winnen. Ik markeerde de Schriftteksten kerkleerbeheersing niet alleen in het rood, maar moet ook bekennen dat ik erachter kwam dat als ik de pagina’s kreukte, ik de Schriftteksten kerkleerbeheersing makkelijker kon vinden. En net vóór ons ringtoernooi tekstenjacht sprenkelde ik talkpoeder over de pagina’s. Als ik bij mijn Schriften in de buurt kwam, hoefde ik maar met mijn vingers te knippen om ze op een Schrifttekst kerkleerbeheersing open te slaan.
De man was zo vriendelijk om zijn Bijbel aan me te geven, die overigens niet gemarkeerd was voor de tekstenjacht. We gingen naar Mattheüs 3, Handelingen 7, 1 Kronieken 29, enzovoort. Ik geef toe dat hij vriendelijk luisterde. Het veranderde de beslissing niet, maar mij wel.
Op de een of andere manier voelde ik sterker dan ooit tevoren dat de teksten die we lazen waar waren. Soms komt het getuigenis na de beproeving.1 Mijn getuigenis, mijn bekering, heb ik niet aan die ervaring te danken. Een enkele gebeurtenis leidt zelden tot blijvend geloof. Maar dat was één van vele ervaringen die mij een getuigenis hebben gegeven dat na verloop van tijd steeds sterker is geworden.
Ik ben heel dankbaar voor mijn ochtendseminarieleerkrachten die mij een fundament hebben gegeven waarop ik verder kan bouwen. Hoezeer ze ook wilden dat onze wijk het ringtoernooi tekstenjacht zou winnen, ze vonden het veel belangrijker dat wij discipelen van Christus voor het leven werden. Zij hebben een grote rol in mijn leven gespeeld. Ik hoop dat je, als je stilstaat bij jouw lessen, inziet dat je een bijzondere invloed hebt op je cursisten.
De opkomende generatie is geweldig. In de afgelopen algemene conferentie zei president Russell M. Nelson: ‘De opkomende generatie komt op voor Jezus Christus en volgt Hem dapper.’2 Hij heeft ook eens tegen ze gezegd: ‘Jullie hebben het vermogen om slimmer en wijzer te zijn en meer invloed op de wereld te hebben dan alle voorgaande generaties!’3 Om dat vermogen te ontwikkelen, hebben ze onder andere goede evangelieleerkrachten nodig.
Ze zijn met geloof vervuld, maar ‘het geloof [is] uit het gehoor en het gehoor door het Woord van God.’4 ‘En hoe zullen zij horen zonder iemand die predikt?’5 Zij begrijpen het evangelie als geen andere generatie vóór hen, maar hoe kunnen zij begrijpen wat ze lezen zonder een leerkracht die ze ‘de weg wijst’?6
Paulus schreef aan de Korinthiërs: ‘God nu heeft sommigen in de gemeente een plaats gegeven: ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten derde leraars, vervolgens krachten’.7 Jullie staan dus tussen apostelen en profeten en krachten – oftewel wonderen – in, en hebben een essentiële rol in deze bijzondere tijd en het bespoedigen van het werk van de Heer.8
Levenslang discipelschap is het doel
Ouderling D. Todd Christofferson begon en eindigde zijn boodschap gisteravond met een bespreking van het doel van godsdienstonderwijs in de kerk. Het viel mij op hoe vaak hij benadrukte dat wij onze cursisten moeten helpen om discipelen van Jezus Christus voor het leven te worden. Hij leek vastberaden om ons eraan te herinneren wat we met ons onderwijs willen bereiken.
Zes maanden nadat hij tot het Quorum der Twaalf Apostelen was geroepen, sprak de toenmalige ouderling Russell M. Nelson in een zondagse devotional op deze campus. Zijn boodschap was inspirerend en zeer leerzaam, maar ik wil vooral de titel van zijn toespraak belichten. Hij begon als volgt: ‘De titel van mijn toespraak is: “Begin met het eindpunt in gedachten”.’ Daarna zei hij: ‘Ik denk dat dit deels te maken heeft met mijn achtergrond als chirurg. Je besluit nooit tot het maken van een incisie zonder een plan om die weer te sluiten. Dat beginsel is in iedere branche algemeen van toepassing. Atleten beginnen een wedren nooit zonder te weten waar de eindstreep ligt.’9
Het eindpunt in gedachten houden – weten waar de eindstreep ligt en het ultieme doel begrijpen – is altijd belangrijk, maar vooral essentieel in evangelieonderwijs. Als we ons blijven richten op dat goddelijke doel, is de kans veel groter dat we het verwezenlijken.
President Thomas S. Monson heeft gezegd: ‘Het doel van evangelieonderwijs […] is niet “het uitstorten van informatie” over de hoofden van de cursisten. […] Het doel is iemand zo te inspireren dat hij of zij gaat nadenken, gaat voelen, om vervolgens iets te doen aan het naleven van de evangeliebeginselen.’10
In het Algemeen handboek staat: ‘We onderwijzen in het evangelie zodat mensen hun geloof in onze hemelse Vader en Jezus Christus kunnen vergroten. We bieden hulp aan mensen die meer op de Heiland willen lijken, zijn macht willen ontvangen en uiteindelijk het eeuwige leven willen beërven.’11
Jullie doen dat al op bijzondere wijze. Wij zien jullie impact op de opkomende generatie. Er nemen meer cursisten deel aan het seminarie en instituut, er gaan er meer op zending, er dienen er meer in de tempel, er worden er meer discipelen van Jezus Christus voor het leven.
Ik heb vandaag een eenvoudige uitnodiging: onderwijs bewust met als doel discipelen voor het leven op te voeden. Bekijk alles wat je doet door die lens. Evalueer regelmatig wat je onderwijst, hoe je onderwijst en zelfs hoe je de kennis van de cursisten toetst. Evalueer niet alleen welke kennis je ze meegeeft, maar ook wat je ze inspireert te doen en te worden. Onderwijs met het doel ze te helpen ‘nieuwe schepping[en]’12 in Christus te worden.
Stel jezelf deze vragen: Hoe beïnvloedt wat en hoe ik onderwijs hoe mijn cursisten zich voelen bij de tempelaanbevelingsvragen? Stimuleer ik in mijn onderwijs geloof in onze hemelse Vader, Jezus Christus en de Heilige Geest? Versterkt het hun getuigenis van de herstelling van het evangelie van Jezus Christus en van hedendaagse profeten en apostelen? Maakt het de cursisten vastberaden om de geboden te onderhouden en zich dagelijks te bekeren?
Aanzetten tot actieve studie
Als ons doel levenslang discipelschap is, moeten we de uitnodiging van ouderling Christofferson opvolgen en ‘bedenk[en] hoe de Heiland onderwees’. Hoe we onderwijzen doet ertoe.
Jullie weten misschien nog dat president Boyd K. Packer als zendingspresident in zoneconferenties sprak over ‘het hoe van onderwijs’. Zuster Packer bakte een taart met drie lagen, met prachtig en kleurrijk glazuur. Bovenop de taart schreef ze: ‘Het evangelie’.
Zodra alle zendelingen er waren, werd de taart plechtig binnengebracht. President Packer vertelde dat de taart het evangelie voorstelde. Daarna vroeg hij: ‘Wie wil een stuk?’
Het is niet moeilijk om een zendeling te vinden die taart wil. Een nietsvermoedende vrijwilliger werd naar voren gebracht. President Packer schepte toen met zijn hand een groot stuk uit de taart. Hij maakte een vuist en het glazuur droop tussen zijn vingers door. Daarna gooide hij het stuk taart op de stomverbaasde zendeling, waarbij het glazuur van zijn pak afdroop.
Na een korte, dramatische pauze wendde hij zich tot de rest van de zendelingen en vroeg hij of er nog iemand was die taart wilde. Hij zei dan: ‘Blijkbaar heeft niemand meer trek.’
Daarna pakte hij een kristallen schoteltje, een zilveren vork, een linnen servet en een prachtig zilveren mes. Hij draaide de taart om. Daarna sneed hij zeer plechtig en voorzichtig een stuk uit de andere kant, legde het rustig op het kristallen schoteltje en vroeg: ‘Wil iemand een stuk taart?’
President Packer zei: ‘De les was duidelijk. In beide gevallen ging het om dezelfde taart, dezelfde smaak, dezelfde voeding. De wijze waarop ik het serveerde, maakte het aantrekkelijk en zelfs verleidelijk, of onaantrekkelijk en zelfs afstotelijk.’ Hij herinnerde de zendelingen eraan dat de taart het evangelie voorstelde en vroeg ze hoe zij het serveerden.13
Hoe we het evangelie serveren, kan bepalen of we informatie uitstorten over onze cursisten, of ze inspireren om ijverige leerlingen te zijn die hun hart, overtuigingen, gedrag en zelfs hun aard veranderen om discipelen van Jezus Christus voor het leven te worden.14
Als we willen onderwijzen zoals de Heiland dat deed, moeten we onze cursisten liefhebben, met de Geest lesgeven en in de leer onderwijzen.15 Dat is de rol van leerkrachten.
Maar hoe zit het met de cursisten? Wat is hun rol? Hun rol is ijverig studeren, verantwoordelijkheid voor hun leerproces nemen, handelen, en de beginselen van het evangelie in hun dagelijks leven toepassen.
Ouderling Christofferson heeft ons gisteravond gevraagd om ze tot actieve studie aan te zetten. Hij vertelde ons dat de Heiland zijn discipelen tot actieve studie aanzette. Hij zei: ‘Hij onderwees op een manier waarbij [zijn discipelen] moesten nadenken, meedoen, bespreken en zijn leringen moesten toepassen.’ Laten wij dat ook doen.
Tot slot
Tot slot wil ik jullie bedanken voor alles wat jullie doen voor jullie cursisten en in het koninkrijk van God. Het doel van ons onderwijs is discipelen van Jezus Christus voor het leven opvoeden. Mogen jullie geleid worden als jullie ‘het evangelie serveren’ op een manier die tot actieve studie aanzet.
Ik geef mijn getuigenis van de Meesterleraar, Jezus Christus, onze Voorspraak, de ‘Leidsman en Voleinder van [ons] geloof’,16 en ‘de Hogepriester van de toekomstige heilsgoederen’.17
In de naam van Jezus Christus. Amen.