Overige hulpbronnen
Naastenhulp


Naastenhulp

Ware discipelen van Jezus Christus willen hun naasten graag helpen. De Heiland heeft gezegd: ‘Hieraan zullen allen weten, dat gij discipelen van Mij zijt, indien gij liefde hebt onder elkander’ (Johannes 13:35).

Met uw doop heeft u er zich toe verbonden om de naam van Jezus Christus op u te nemen. De profeet Alma heeft dit verbond aan een groep bekeerlingen die zich wilde laten dopen, uitgelegd. Hij zag dat zij verlangden ‘tot de kudde Gods toe te treden’ en daarvoor bereid waren zinvolle naas-tenhulp te geven — ‘elkaars lasten te dragen, opdat zij licht zullen zijn’ en ‘te treuren met hen die treuren; ja, en hen te vertroosten die vertroosting nodig hebben’ (Mosiah 18:8–9).

Neem de Heiland als voorbeeld wanneer u anderen dient. Hoewel Hij als Zoon van God op aarde kwam, hielp Hij nederig alle mensen om Zich heen. Hij verklaarde: ‘Ik ben in uw midden als dienaar’ (Lucas 22:27).

De Heiland heeft met een gelijkenis aangegeven hoe belangrijk het is anderen te dienen. In deze gelijkenis keert Hij in heerlijkheid terug naar de aarde en scheidt de goeden van de kwaden. Tot de goeden zegt Hij: ‘Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen’ (Matteüs 25:34–36).

De rechtvaardigen begrijpen niet goed wat Hij zegt en zij vragen Hem: ‘Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen?’ (Matteüs 25:37–39).

Dan antwoordt de Heer hun: ‘In zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan’ (Matteüs 25:40).

De Heiland nodigt u uit om uzelf te geven in de dienst van uw naasten. Uw mogelijkheden daartoe zijn onbegrensd. Kijk elke dag of u iemand blij kunt maken, iets aardigs voor iemand kunt doen, iets voor anderen kunt doen wat ze zelf niet kunnen doen, iemand over het evangelie kunt vertellen. Stel u open voor de influisteringen van de Geest, die u aanzet tot naastenhulp. U zult merken dat anderen gelukkig maken de ware sleutel tot geluk is.