‘3. Priesterschapsbeginselen’, Algemeen handboek: dienen in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen (2026).
‘3. Priesterschapsbeginselen’, Algemeen handboek.
3.
Priesterschapsbeginselen
3.0
Inleiding
Het priesterschap is het gezag en de macht van God. Onze hemelse Vader maakt gebruik van het priesterschap om ‘de onsterfelijkheid en het eeuwige leven van de mens tot stand te brengen’ (Mozes 1:39). God geeft zijn zoons en dochters op aarde macht en gezag om zijn werk mede uit te voeren (zie hoofdstuk 1).
3.1
Herstelling van het priesterschap
De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen is de enige organisatie op aarde met priesterschapsgezag. De profeet Joseph Smith ontving het Aäronisch priesterschap en de bijbehorende sleutels van Johannes de Doper (zie Leer en Verbonden 13:1). Hij ontving het Melchizedeks priesterschap en de bijbehorende sleutels van de apostelen Petrus, Jakobus en Johannes (zie Leer en Verbonden 27:12–13).
Mozes, Elias en Elia zijn in de Kirtlandtempel aan Joseph Smith verschenen, waar zij hem het verdere gezag verleenden om Gods werk in de laatste dagen tot stand te brengen (zie Leer en Verbonden 110:11–16).
Tegenwoordig dragen alle leden van het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen al deze sleutels. Deze leiders roepen en machtigen andere kerkleden om Gods priesterschapsgezag en -macht ten behoeve van zijn werk van heil en verhoging te gebruiken.
3.2
Zegeningen van het priesterschap
God stelt door verbonden en priesterschapsverordeningen grote zegeningen aan al zijn kinderen beschikbaar. Die zegeningen zijn onder meer:
-
Doop en lidmaatschap in De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen.
-
De gave van de Heilige Geest.
-
Deelname aan het avondmaal.
-
Gezag en macht om in kerkroepingen en -taken te dienen.
-
Een patriarchale zegen en andere priesterschapszegens voor genezing, troost en leiding.
-
Begiftiging met Gods macht in de tempel.
-
Verzegeling aan familieleden voor de eeuwigheid.
-
De belofte van het eeuwige leven.
Gods kinderen kunnen deze zegeningen van het priesterschap ontvangen en grote vreugde ervaren als ze het evangelie van Jezus Christus naleven.
3.3
Melchizedeks priesterschap en Aäronisch priesterschap
Het priesterschap in de kerk bestaat uit twee onderdelen: het Melchizedeks priesterschap en het Aäronisch priesterschap (zie Leer en Verbonden 107:1).
3.3.1
Melchizedeks priesterschap
Het Melchizedeks priesterschap is ‘het heilig priesterschap naar de orde van de Zoon van God’ (Leer en Verbonden 107:3). Het is de macht waardoor de zoons en dochters van God zoals Hij kunnen worden (zie Leer en Verbonden 84:19–21; 132:19–20).
‘Het Melchizedeks priesterschap omvat het recht van presideren.’ Het omvat ‘de macht en het gezag over alle ambten in de kerk, in alle tijdperken van de wereld, om geestelijke zaken te besturen’ (Leer en Verbonden 107:8). Kerkleiders leiden en doen al het geestelijke werk van de kerk met dit gezag (zie Leer en Verbonden 107:18).
De president van de kerk is de presiderende hogepriester van de Melchizedekse priesterschap (zie Leer en Verbonden 107:65–67). De ringpresident is de presiderende hogepriester in de ring (zie Leer en Verbonden 107:8, 10; zie ook hoofdstuk 6 in dit handboek). De bisschop is de presiderende hogepriester in de wijk (zie Leer en Verbonden 107:17; zie ook hoofdstuk 7 in dit handboek).
Zie 8.1 voor informatie over de ambten en taken die tot het Melchizedeks priesterschap behoren.
3.3.2
Aäronisch priesterschap
Het Aäronisch priesterschap is ‘een toevoeging […] aan het […] Melchizedeks priesterschap’ (Leer en Verbonden 107:14). Het omvat de sleutels van:
-
De bediening van engelen.
-
Het evangelie van bekering.
-
De bediening van uiterlijke verordeningen, waaronder de doop tot vergeving van zonden.
(Zie Leer en Verbonden 13:1; 84:26–27, 107:20.)
De bisschop is de president van de Aäronische priesterschap in de wijk (zie Leer en Verbonden 107:15).
Zie 10.1.3 voor informatie over de ambten en taken die tot het Aäronisch priesterschap behoren.
3.4
Priesterschapsgezag
Priesterschapsgezag is de bevoegdheid om God te vertegenwoordigen en in zijn naam te handelen. Al het priesterschapsgezag wordt uitgeoefend op aanwijzing van hen die priesterschapssleutels dragen.
Waardige mannelijke kerkleden ontvangen priesterschapsgezag wanneer hun het priesterschap wordt verleend en zij tot een priesterschapsambt worden geordend. Alle kerkleden kunnen gedelegeerd gezag uitoefenen als ze aangesteld of aangewezen zijn om aan Gods werk deel te nemen. De leden zijn aan God en aan wie Hij een presiderende taak heeft toebedeeld, rekenschap verschuldigd voor de wijze waarop ze zijn gezag uitoefenen (zie 3.4.4).
3.4.1
Priesterschapssleutels
Priesterschapssleutels zijn het gezag om het gebruik van het priesterschap ten behoeve van Gods kinderen te reguleren. Het gebruik van al het priesterschapsgezag in de kerk wordt geregeld door hen die priesterschapssleutels dragen (zie Leer en Verbonden 65:2).
3.4.1.1
Wie priesterschapssleutels dragen
Jezus Christus draagt alle sleutels van het priesterschap. Onder zijn leiding worden priesterschapssleutels verleend aan mannen met een specifieke roeping om Gods werk tot stand te brengen, zoals hierna wordt uitgelegd.
De Heer heeft ieder van zijn apostelen alle sleutels met betrekking tot het koninkrijk van God op aarde verleend. De senior apostel, de president van de kerk, is als enige persoon op aarde gemachtigd om alle sleutels van het priesterschap te gebruiken (zie Leer en Verbonden 81:1–2; 107:64–67, 91–92; 132:7).
De volgende plaatselijke priesterschapsleiders krijgen op aanwijzing van de kerkpresident sleutels, zodat zij in de hun toegewezen taak kunnen presideren:
-
Ring- en districtspresidenten
-
Bisschoppen en gemeentepresidenten
-
Presidenten van Aäronische- en Melchizedekse-priesterschapsquorums
-
Tempelpresidenten
-
Zendingspresidenten en presidenten van opleidingscentra voor zendelingen
-
Presidenten van historische kerklocaties
Deze leiders ontvangen priesterschapssleutels wanneer ze voor hun roeping aangesteld worden.
Anderen, zoals raadgevers van plaatselijke priesterschapsleiders of presidenten/presidentes van kerkorganisaties, ontvangen geen priesterschapssleutels. Die leidinggevenden ontvangen gedelegeerd gezag bij hun aanstelling en wanneer ze een taak toegewezen krijgen op aanwijzing van hen die priesterschapssleutels dragen. Presidenten en presidentes van kerkorganisaties presideren op aanwijzing van hen die priesterschapssleutels dragen (zie 4.2.4).
3.4.1.2
Orde in Gods werk
Door de priesterschapssleutels wordt Gods werk van heil en verhoging op ordelijke wijze gedaan (zie Leer en Verbonden 42:11; 132:8). Wie priesterschapssleutels dragen, geven binnen hun taakgebied leiding aan het werk van de Heer. Dit presiderende gezag geldt alleen voor de taken binnen de roeping van de betreffende leider. Als een priesterschapsleider van zijn roeping is ontheven, draagt hij de bijbehorende sleutels niet meer.
Ieder die in de kerk een taak vervult, wordt daarvoor aangesteld of aangewezen in opdracht van iemand die priesterschapssleutels draagt.
3.4.2
Verlening van priesterschap en ordening
Op aanwijzing van hen die priesterschapssleutels dragen, worden het Aäronisch priesterschap en het Melchizedeks priesterschap aan waardige broeders in de kerk verleend (zie Leer en Verbonden 84:14–17). Als iemand het juiste priesterschap is verleend, wordt de betrokkene tot een ambt in dat priesterschap, zoals diaken of ouderling, geordend. Een priesterschapsdrager oefent het priesterschap overeenkomstig de rechten en plichten van dat ambt uit (zie Leer en Verbonden 107:99).
Iedere man in de Kerk van Jezus Christus behoort ernaar te streven om het Melchizedeks priesterschap waardig te zijn en er anderen mee te dienen. Als een man het priesterschap ontvangt, sluit hij een verbond om zijn priesterschapstaken trouw te vervullen. Hij ontvangt ook van God een eed, of belofte, van eeuwige zegeningen (zie Leer en Verbonden 84:33–44; zie ook Gids bij de Schriften, ‘Eed en verbond van het priesterschap’).
Zie 8.1.1, 10.6, 18.10 en 38.2.5 voor meer informatie over de verlening van en ordening in het priesterschap.
3.4.3
Delegatie van priesterschapsgezag om in de kerk te dienen
Priesterschapsgezag om in de kerk te kunnen dienen, wordt als volgt aan leden gedelegeerd:
-
Door aanstelling tot een kerkroeping
-
Door een taaktoewijzing van een presiderende kerkleider
3.4.3.1
Aanstelling
Kerkleden die aangesteld worden op aanwijzing van iemand met priesterschapssleutels, ontvangen gezag van God om in die roeping te handelen. Bijvoorbeeld:
-
Een vrouw die door de bisschop als ZHV-presidente van de wijk wordt geroepen en aangesteld, ontvangt het gezag om het werk van de zustershulpvereniging in de wijk te leiden.
-
Een man of vrouw die door een lid van de bisschap als jeugdwerkleerkracht wordt geroepen en aangesteld, ontvangt het gezag om jeugdwerkkinderen in de wijk te onderwijzen.
Allen die geroepen of aangesteld zijn, dienen onder leiding van wie hen presideren (zie 3.4.1.2).
Als kerkleden uit een roeping zijn ontheven, hebben ze het bijbehorende gezag niet meer.
Zie 18.11 voor meer informatie over het aanstellen van leden voor een kerkroeping.
3.4.3.2
Taaktoewijzing
Presiderende kerkleiders kunnen gezag delegeren wanneer ze iemand een taak toewijzen. Mannen en vrouwen die zo’n taak krijgen, ontvangen gezag van God om te handelen. Bijvoorbeeld:
-
Het Eerste Presidium en het Quorum der Twaalf Apostelen delegeren gezag aan zeventigers die de taak krijgen om een gebied te besturen of ringconferenties te presideren.
-
Zendingspresidenten delegeren gezag aan mannelijke en vrouwelijke zendelingen die de taak hebben om andere zendelingen te leiden en te trainen.
-
Er vindt delegatie van gezag plaats als kerkleden de taak van dienende broeder of zuster op zich nemen. Dat gebeurt als de quorumpresident ouderlingen of ZHV-presidente in opdracht van de bisschop een taak toewijst.
Het gezag dat bij toewijzing van een taak wordt gedelegeerd, is beperkt tot de specifieke verantwoordelijkheid en duur van de taak.
Zie 4.2.5 voor meer informatie over het delegeren van gezag bij toewijzing.
3.4.4
Priesterschapsgezag rechtschapen uitoefenen
Leidinggevenden en leden van de kerk gebruiken hun verleend of gedelegeerd gezag ten bate van anderen.
Dat gezag kan alleen in rechtschapenheid worden gebruikt (zie Leer en Verbonden 121:36). Het wordt met overreding, lankmoedigheid, mildheid, zachtmoedigheid, liefde en vriendelijkheid uitgeoefend (zie Leer en Verbonden 121:41–42). Leidinggevenden overleggen met anderen in een geest van eensgezindheid en trachten door openbaring de wil van de Heer te vernemen (zie Leer en Verbonden 41:2). Zie 4.4.3 voor informatie over overleggen met anderen.
Wie priesterschapsgezag uitoefenen, leggen hun wil niet aan anderen op. Zij gebruiken hun gezag niet voor zelfzuchtige doeleinden. Als iemand dit gezag onrechtvaardig gebruikt, ‘trekken de hemelen zich terug [en is] de Geest van de Heer gegriefd’ (Leer en Verbonden 121:37).
Sommige kerkroepingen houden een presiderende taak in. Zie 4.2.4 voor informatie over presideren in de kerk.
3.5
Verordeningen en verbonden
God voorziet in verordeningen en verbonden om zijn kinderen te zegenen en ze in staat te stellen het eeuwige leven te ontvangen.
3.5.1
Verordeningen
Een verordening is een gewijde handeling die met het gezag van het priesterschap wordt verricht. Verordeningen hebben altijd deel uitgemaakt van het evangelie van Jezus Christus (zie Genesis 1:28; Mozes 6:64–65).
Bij veel verordeningen sluit de betrokkene verbonden met God. Denk bijvoorbeeld aan de doop, het avondmaal, de begiftiging en de huwelijksverzegeling in de tempel. Bij andere verordeningen, zoals een patriarchale zegen of ziekenzalving, sluit de betrokkene geen verbond, maar kan hij of zij leiding en kracht ontvangen om verbonden na te komen.
Verordeningen hebben een symbolische betekenis die de aandacht op onze hemelse Vader en Jezus Christus richt. Bij verordeningen die verbonden omvatten, maken de woorden, handelingen en andere symboliek de beloften duidelijk die men God doet en de zegeningen die men door getrouwheid ontvangt.
Elke verordening opent voor de betrokkene de deur naar rijke geestelijke zegeningen. De Heer heeft geopenbaard: ‘In de verordeningen [van het priesterschap] is de macht der goddelijkheid kenbaar’ (Leer en Verbonden 84:20).
3.5.2
Verbonden
Een verbond is een heilige belofte tussen God en zijn kinderen. God bepaalt de voorwaarden van het verbond, en zijn kinderen stemmen ermee in om aan die voorwaarden te gehoorzamen. God belooft zijn kinderen te zegenen als ze het verbond nakomen.
Verbonden staan centraal in Gods werk van heil en verhoging (zie 1.2). Als leden de verordeningen van heil en verhoging ontvangen, sluiten ze verbonden met God (zie 3.5.3). Allen die tot het einde toe in het nakomen van hun verbonden volharden, zullen het eeuwige leven ontvangen (zie 2 Nephi 31:17–20; Leer en Verbonden 14:7; zie ook 1.1).
Ouders, leidinggevenden in de kerk en anderen bereiden mensen voor op de verbonden die ze sluiten wanneer ze de verordeningen van het evangelie ontvangen. Ze vergewissen zich ervan dat de betrokkenen de verbonden die ze sluiten, begrijpen. (Deze verbonden worden in 3.5.3 uitgelegd.) Ze helpen iemand die een verbond heeft gesloten om het na te komen (zie Moroni 6:4).
3.5.3
Verordeningen en verbonden zijn nodig voor heil en verhoging
Wie verordeningen ontvangt die nodig zijn voor heil en verhoging, sluit verbonden met God. Deze verordeningen zijn nodig voor heil en verhoging:
-
Doop.
-
Bevestiging en gave van de Heilige Geest.
-
Verlening van het Melchizedeks priesterschap en ordening tot een ambt (voor mannen).
-
Tempelbegiftiging.
-
Tempelverzegeling.
Levenden ontvangen deze verordeningen voor zichzelf. Maar veel van Gods kinderen overlijden zonder een kans te hebben gehad om de verordeningen te ontvangen die nodig zijn voor heil en verhoging. God heeft in zijn barmhartige plan een manier verschaft voor levenden om deze verordeningen namens overledenen te ontvangen. Deze heilige verordeningen worden in tempels verricht.
Zie hoofdstuk 28 voor meer informatie over verordeningen voor overledenen.
3.5.3.1
Doop
Met de verordening van de doop gaan Gods kinderen een verbondsrelatie aan met Hem die naar het eeuwige leven voert (zie 2 Nephi 31:17–18). Wie zich laat dopen, verbindt zich om bereidwillig de naam van Jezus Christus op zich te nemen, Gods geboden te onderhouden en Hem tot het einde te dienen (zie 2 Nephi 31:7, 13–14; Mosiah 18:10; Moroni 6:3; Leer en Verbonden 20:37).
De doop door water moet gevolgd worden door handoplegging voor de gave van de Heilige Geest.
3.5.3.2
Bevestiging en gave van de Heilige Geest
De Heiland heeft uitgelegd: ‘Als iemand niet geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan’ (Johannes 3:5). Daarom wordt de doop door water gevolgd door de bevestiging en ontvangst van de gave van de Heilige Geest door handoplegging (zie Leer en Verbonden 20:41). Bij deze verordening wordt men bevestigd als lid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen, en opgedragen om de Heilige Geest te ontvangen.
Leden die geloof oefenen in Jezus Christus, zich bekeren en ernaar streven om zich aan het doopverbond te houden, krijgen het gezelschap van de Heilige Geest (zie Mosiah 18:10). De Heilige Geest kan ze de rest van hun leven leiden, reinigen van zonde en helpen om meer zoals onze hemelse Vader en Jezus Christus te worden (zie 2 Nephi 32:5; 3 Nephi 12:48; 27:20). Dan zijn ze op het ‘nauwe en smalle pad dat tot het eeuwige leven voert’ (2 Nephi 31:18).
3.5.3.3
Verlening van het Melchizedeks priesterschap en ordening tot een ambt
Al Gods eeuwige zegeningen worden ter beschikking gesteld aan zijn kinderen – zowel dochters als zoons – door Jezus Christus en de verordeningen en verbonden die nodig zijn voor heil en verhoging (zie 3.5.3). Verlening van het Melchizedeks priesterschap en ordening tot een ambt is een verordening die mannen nodig hebben om al deze zegeningen te ontvangen.
Een man die het Melchizedeks priesterschap ontvangt, sluit een verbond om getrouw te zijn en zijn priesterschapsroeping en -taken groot te maken (zie Leer en Verbonden 84:33). God belooft met een eed dat wie dit verbond eren, door de Geest geheiligd zullen worden en alles ontvangen wat de Vader heeft (zie Leer en Verbonden 84:33–40; zie ook Gids bij de Schriften, ‘Eed en verbond van het priesterschap’, Evangeliebibliotheek).
Priesterschapsdragers hebben een heilige roeping en verantwoordelijkheid om namens de Heer anderen te helpen tot Hem te komen, en de verordeningen en verbonden te bedienen die nodig zijn voor heil en verhoging (zie Alma 13:1–3, 6, 16).
3.5.3.4
Tempelbegiftiging
Kerkleden die hun begiftiging ontvangen, verbinden zich ertoe:
-
de wet van gehoorzaamheid na te leven;
-
de wet van offerande te gehoorzamen;
-
de wet van het evangelie van Jezus Christus te gehoorzamen;
-
de wet van kuisheid na te leven;
-
de wet van toewijding na te leven.
Als onderdeel van de begiftigingsverordening wordt men geïnstrueerd om levenslang het garment van het heilig priesterschap te dragen. De verbonden die tijdens de begiftiging worden gesloten, houden onder meer het heilige voorrecht in om het garment te dragen (zie 26.4.2).
De zegeningen die gepaard gaan met het ontvangen en nakomen van de verbonden in de begiftiging omvatten meer kennis van God en zijn plan, goddelijke bescherming, en de macht der goddelijkheid. (Zie Leer en Verbonden 38:32; 84:19–21; 109:22; zie ook 27.2 in dit handboek.)
3.5.3.5
Tempelverzegeling
In de verzegelverordening sluiten een man en een vrouw een verbond met God en met elkaar. Ze verbinden zich ertoe en beloven om elkaar als echtgenoot en echtgenote te ontvangen, in liefde en rechtschapenheid samen te werken en te overleggen, en hun door God aangewezen rol als echtgenoten en als vader en moeder te vervullen.
Als man en vrouw dit verbond trouw blijven, zijn ze voor eeuwig als echtgenoten met elkaar verbonden. Alle zegeningen van Gods eeuwige verbond, waarvan de allergrootste de verhoging met eeuwig nakomelingschap is, worden verzegeld op het echtpaar als ze getrouw zijn (zie Leer en Verbonden 132:19–20; zie ook 66:2; 131:1–4; en 27.3 en 38.4 in dit handboek).
3.5.4
Het avondmaal
De Heiland stelde het avondmaal in en gebood zijn volgelingen om eraan deel te nemen ter gedachtenis aan Hem (zie Mattheüs 26:26–28; 3 Nephi 18:1–12; Moroni 6:5–6). Het avondmaal is een heilige, regelmatig terugkerende gelegenheid voor kerkleden om het leven, de bediening en de verzoening van Jezus Christus te overdenken (zie Leer en Verbonden 27:2; zie ook 29.2.1 in dit handboek).
Door deel te nemen aan het avondmaal betuigt men, of verbindt men zich ertoe, bereidwillig de naam van Jezus Christus op zich te nemen, Hem altijd indachtig te zijn en zijn geboden te onderhouden. Als men zich aan dit verbond houdt, belooft God dat zij altijd zijn Geest bij zich zullen hebben (zie Leer en Verbonden 20:77, 79; zie ook 3 Nephi 18:7, 11). Door de heiligende macht van de Heilige Geest kan de Heer hen gedurende de rest van hun leven zuiveren (zie 3 Nephi 27:20). Zo kunnen zij vergeving van zonden behouden (zie Mosiah 4:3–12).
De avondmaalsverordening helpt kerkleden om tot het einde toe te volharden in het nakomen van alle verbonden die ze met God hebben gesloten. Het is een herhaalde uitnodiging tot oprechte bekering en geestelijke hernieuwing, en leidt zo tot vooruitgang in het streven om meer zoals God te worden.
3.6
Priesterschapsmacht
Priesterschapsmacht is Gods macht, die Hij gebruikt om zijn kinderen te zegenen. Gods priesterschapsmacht vloeit alle leden van de kerk toe – mannen en vrouwen – als ze de verbonden nakomen die ze met Hem hebben gesloten. De leden sluiten die verbonden als ze priesterschapsverordeningen ontvangen (zie Leer en Verbonden 84:19–20).
De zegeningen van priesterschapsmacht die leden kunnen ontvangen, zijn onder meer:
-
Leiding voor hun leven.
-
Openbaring om te weten hoe ze het werk moeten doen waartoe ze geordend, aangesteld of aangewezen zijn.
-
Hulp en kracht om meer op Jezus Christus en onze hemelse Vader te lijken.
3.7
Priesterschap en gezin
Alle kerkleden die hun verbonden nakomen – mannen, vrouwen en kinderen – worden thuis met Gods priesterschapsmacht gezegend, zodat zij en hun gezin gesterkt worden (zie 3.5). Die macht stelt de leden in staat om Gods werk van heil en verhoging persoonlijk en met hun gezin te doen (zie 2.2).
Mannen die het Melchizedeks priesterschap dragen, kunnen priesterschapszegens voor leiding, genezing en troost aan hun gezinsleden geven. Kerkleden kunnen dergelijke zegens ook van andere familieleden, dienende broeders of plaatselijke kerkleiders ontvangen. Zie 18.13 en 18.14 voor meer informatie over priesterschapszegens.