In memoriam
President Jeffrey R. Holland: leerkracht, discipel, getuige
‘Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, leed, stierf en herrees uit de dood zodat Hij ons, als een bliksemflits in een onweersbui, in onze val kon vastgrijpen, ons met al zijn macht kon vasthouden, en ons, door onze gehoorzaamheid aan zijn geboden, naar het eeuwige leven kon opheffen.’
Foto, Francesco Galiano Abanto
Met het heengaan van president Jeffrey R. Holland, president van het Quorum der Twaalf Apostelen, is de stem van een invloedrijke evangelieleraar en getuige van de Heer Jezus Christus stilgevallen.
Zijn geïnspireerde leringen zullen door zijn aanhoudende getuigenis van de Heer Jezus Christus, dat in de hemel is opgetekend, door de eeuwen heen weerklinken (zie Leer en Verbonden 62:3). Maar leden van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen zullen zijn warme, geruststellende bevestigingen van goddelijke, eeuwige waarheden missen.
President Holland bleek een aangeboren talent als leerkracht te hebben. Dat was te merken aan alles wat hij zei of schreef. In zijn rol als getuige van Jezus Christus nodigde hij voortdurend Gods kinderen binnen en buiten de kerk uit om hun leven door de verzoening van de Heiland vorm te laten geven en hun ziel door Gods liefde te laten raken.
Tijdens de algemene aprilconferentie van 2016 gaf hij de volgende raad aan de heiligen der laatste dagen:
‘Denk er dus morgen, en alle dagen daarna, aan dat de Heer zegent wie zich willen verbeteren, die de behoefte aan geboden inzien en proberen ernaar te leven, die christelijke deugden koesteren en er zo goed als ze kunnen naar streven om ze aan te kweken. Als u bij dat streven struikelt, wat iedereen overkomt, dan helpt de Heiland u voort. Als u valt, doe dan een beroep op zijn kracht. Roep zoals Alma eens deed: “O Jezus, […] wees barmhartig jegens mij” [Alma 36:18]. Hij zal u helpen om weer overeind te komen. Hij zal u hulp bieden om u te bekeren, te herstellen, recht te zetten wat u ook recht moet zetten, en verder te gaan. […]
‘Blijf dus liefhebben. Blijf het proberen. Blijf vertrouwen. Blijf geloven. Blijf groeien. De hemel moedigt u vandaag, morgen en voor eeuwig aan.’
De Heer schoolde Jeffrey R. Holland in elk stadium van zijn leven – als kind, als tiener, en als jonge man die besloot leerkracht te worden – ter voorbereiding op de belangrijke rol die hij in het koninkrijk Gods zou spelen. Die geestelijke scholing werd intensiever nadat hij door openbaring als een van de ‘bijzondere getuige[n]’ van de Heer Jezus Christus was geroepen (Leer en Verbonden 27:12).
Gehoorzame jongen
Jeffrey Roy Holland werd op 3 december 1940 in St. George geboren, in wat toen een agrarisch, grotendeels onbekend plaatsje in de zuidwesthoek van de Amerikaanse staat Utah was.
‘Ik had een idyllische jeugd’, zei hij. ‘Ik groeide op met meer veiligheid en onbeperkte liefde dan een kind volgens mij kan hebben.’
Zijn moeder, Alice, stamde af van onverschrokken pioniers die zich in het gebied rond St. George hadden gevestigd. Zijn vader, Frank, was zo’n pionier die alles op eigen kracht deed. Hij was actief in de plaatselijke politiek en kreeg veel invloed op de aangelegenheden van de gemeente.
Volgens Deborah Holland Millett hadden haar twee broers, Jeff en Dennis, hun Ierse charme en humor van hun vader. Daar voegde ze aan toe dat Jeff van zijn moeder leerde om ‘altijd onzelfzuchtig te geven zonder er iets voor terug te verwachten’.
Jeffrey R. Holland (hierboven met zijn vader, moeder en oudere broer) werd in St. George geboren. Hij kreeg zijn humor van zijn vader en zijn onbaatzuchtigheid van zijn moeder.
Zijn moeder beschreef Jeff als een gehoorzame jongen. ‘Hij ging altijd naar de kerk en hij voerde altijd zijn priesterschapstaken uit’, zei ze.
Toen hij nog jong was, gaf ze hem eens toestemming om naar een feestje te gaan, op voorwaarde dat hij uiterlijk om tien uur ’s avonds thuis zou zijn. Die avond keek hij tijdens het feestje hoe laat het was. Toen hij besefte dat hij maar een kwartier had om thuis te komen, rende hij de hele weg naar huis om maar op tijd te zijn. Die toewijding aan het nakomen van zijn beloftes ging deel van zijn karakter uitmaken.
Sport werd ‘de voornaamste bron van vreugde’ in het leven van de jonge Jeff Holland.
Voor Jeff werd sporten ‘de voornaamste bron van vreugde in mijn jonge leven’. Aan de middelbare school, Dixie High School, maakte hij deel uit van de American football- en basketbalteams die in 1958 aan de staatskampioenschappen meededen. Hij deed ook aan honkbal en atletiek. Later werd hij medeaanvoerder van het basketbalteam van het Dixie College (nu Utah Tech University), dat een regionaal kampioenschap won.
‘God wilde dat ik leerkracht werd’
Na de middelbare school werd hij op zending geroepen naar de Britse Zending. Hij kijkt terug op die periode als ‘het grootste geestelijke keerpunt in mijn leven – het begin van alles wat er voor mij begon’ op het gebied van volwassen evangeliegroei. Zijn tweede zendingspresident, ouderling Marion D. Hanks van de Zeventig, ‘bracht mij liefde voor de Schriften bij, met name het Boek van Mormon’, herinnerde president Holland zich. ‘Hij had grote invloed op mijn leven.’
Voor president Holland (uiterst rechts) was zijn zending in Groot-Brittannië ‘het grootste geestelijke keerpunt in mijn leven’.
Voordat hij op zending ging, wilde president Holland arts worden. Maar, zei hij, ‘toen ik terugkwam van zending, geloofde ik dat God wilde dat ik leerkracht zou worden.’
Vele jaren later, na zijn roeping tot het Quorum der Twaalf Apostelen, zei zijn broer, Dennis, dat die roeping geen verrassing was. ‘Jeff wilde altijd al cursisten in een klas het evangelie leren’, zei hij. ‘Ik heb altijd geweten dat de Heer datzelfde doel voor hem in gedachten had, maar dat die klas en het aantal cursisten veel groter waren dan hij zich voorstelde.’
‘Geweldige metgezellin’
Doordat Jeff sporten beoefende, leerde hij Patricia Terry, cheerleader aan hun middelbare school, kennen. Ze gingen hun laatste twee jaar aan de middelbare school samen uit, en na zijn zending hernieuwden ze hun vriendschap.
Jeffrey en Patricia Holland trouwden op 7 juni 1963 in de St. Georgetempel. Hij beschouwde haar geloof, geestelijke instelling en grote naastenliefde altijd als invloeden die hem persoonlijk sterkten. ‘Van alle mensen die ik ken, is er niemand van wie het geloof zo zuiver, zo groot en zo sterk is als dat van haar’, zei hij eens over zijn vrouw.
Anderen merkten dat zij elkaar in geestelijke kracht aanvulden.
President Holland beschouwde zuster Patricia Hollands geloof, geestelijke instelling en naastenliefde als invloeden die hem persoonlijk sterkten.
President James E. Faust (1920–2007), tweede raadgever in het Eerste Presidium, was een goede vriend van hen. Hij merkte eens op dat president Holland ‘een sterke geestelijke instelling met een buitengewone gevoeligheid’ had, waardoor hij dingen kon zien en voelen die anderen misschien niet door hadden. President Holland ‘bouwde en beurde mensen altijd op, en daardoor trok hij mensen aan. Hij [had] het geweldige vermogen om mensen het gevoel te geven dat ze zijn allerbeste vrienden [waren].’
President Faust voegde daar aan toe: ‘Ouderling Holland doet dit niet alleen. Zuster Holland is een geweldige metgezellin voor hem. Zij zijn een voorbeeldig echtpaar.’
Toen Jeff in 1965 op het punt stond om af te studeren aan de Brigham Young University, kreeg hij de kans om het jaar daarop, terwijl hij aan zijn masteropleiding werkte, halve dagen aan de universiteit les te geven. Na dat jaar kreeg hij een baan bij de kerkelijke onderwijsinstellingen als leerkracht aan het instituut voor godsdienstonderwijs in de regio Hayward (Californië, VS). Het jaar daarop werd hij instituutshoofd in Seattle (Washington, VS), waar hij met veel succes jonge mensen binnenhaalde.
Toen hij eenmaal de smaak van het onderwijs te pakken had, besefte hij al snel dat hij voor een langdurige loopbaan in het onderwijs een doctorsgraad nodig zou hebben. Daarvoor verhuisde hij met zijn gezin naar New Haven, in de staat Connecticut, zodat hij naar de Yale University kon gaan. In latere jaren zou hij vaak lessen aanhalen die hij in zijn tijd aan Yale had geleerd – en de meeste van die lessen waren niet onderwijskundig. Als groot onderwijskundige en geïnspireerd leerkracht gebruikte hij die levenslessen om in evangeliebeginselen te onderwijzen.
In de algemene oktoberconferentie van 1999 haalde president Holland herinneringen op aan het pijnlijke begin van die reis naar Connecticut, 30 jaar eerder. De familie Holland had St. George verlaten in een oude auto, vrijwel zonder geld, met twee kleine kinderen (van wie er een drie maanden was), en met al hun bezittingen in een aanhangwagentje. Ze kregen tweemaal op dezelfde plek autopech, slechts 57 kilometer buiten St. George. Hij moest twee keer voor hulp naar een nabijgelegen dorp lopen voordat hij erachter kwam dat de auto de reis niet aankon.
Terugkijkend stelde president Holland zich voor wat hij gezegd zou kunnen hebben tegen zijn ontmoedigde, terneergeslagen jongere ik die langs de snelweg sjokte: ‘Geef het niet op. […] Blijf het proberen. Er ligt hulp en geluk in het verschiet. […] Het komt uiteindelijk allemaal goed. Vertrouw op God en geloof in goede dingen die zullen komen.’
Toen verzekerde hij hen die het niet meer zien zitten, maar de Heer om hulp en zegeningen vragen, ook al weten ze niet of ze die ooit zullen krijgen: ‘Sommige zegeningen komen vroeg, andere komen laat, andere komen pas in de hemel; maar voor hen die het evangelie van Jezus Christus omarmen, komen ze. Daarvan getuig ik.’
President Holland beschouwde de tijd die zijn vrouw en hij aan Yale doorbrachten als een periode van intensief leren – zowel academisch als godsdienstig. Kort na hun aankomst in New England werd hij als lid van een ringpresidium geroepen. Pat, die in hun studentenwijk ZHV-presidente was geweest, werd in hun nieuwe wijk ook als ZHV-presidente geroepen. Wat Jeffrey in deze periode leerde, zou hem bij toekomstige functies in nog eens twee ringpresidiums, en vervolgens als regionaal vertegenwoordiger, goed van pas komen.
‘Wat ik in feite kreeg, was een opleiding in kerkbestuur’, zei hij.
BYU: ‘Een plek die ik koester’
Toen de familie Holland in 1972 naar Utah terugkeerde, werd hij geroepen als hoofd van de nieuwe Onderlinge ontwikkelingsvereniging voor Melchizedeks‑priesterschapsdragers van de kerk. In die functie werkte hij nauw samen met ouderling James E. Faust en ouderling L. Tom Perry van het Quorum der Twaalf Apostelen, en met ouderling Hanks. In 1974 werd broeder Holland decaan godsdienstonderwijs aan de Brigham Young University. Twee jaar later benoemde de kerk hem tot commissaris van onderwijs. In die rol werd hem in 1980 gevraagd om een comité voor te zitten dat op zoek moest gaan naar een opvolger voor Dallin H. Oaks, die toen president van de BYU was.
Toen broeder Holland enkele dagen later ontboden werd naar een vergadering met het Eerste Presidium, nam hij aan dat de vergadering met zijn taak in het comité te maken had. Hij was stomverbaasd toen hem werd gevraagd om president Oaks als president van de BYU op te volgen.
De universiteit is ‘een plek die ik koester’, zei president Holland later, vanwege de geest die hij daar altijd voelde, en de uitwerking die de BYU op zijn leven had gehad.
President Holland, op deze foto in zijn kantoor te zien kort na zijn benoeming tot president van de BYU in 1980, schreef de grootsheid van de universiteit toe aan haar mensen.
Docenten, medewerkers en studenten sloten de familie Holland al gauw in hun hart. De ervaring die zuster Holland in het evangelie had, en haar liefdevolle geest, hielpen enorm in de jaren dat het echtpaar Holland als team aan de BYU werkte. In de bijeenkomst die ze aan het begin van elk schooljaar hielden, en die in de wandelgangen de ‘Jeff and Pat Show’ werd genoemd, gaven ze op hartelijke wijze goede geestelijke raad die veel levens beïnvloedde. Enkele van die toespraken aan de BYU werden mijlpalen in zijn evangelieonderricht.
In een interview dat hij in zijn eerste jaar als president van de BYU gaf, vertelde hij dat hij veel goede facetten aan de school had ontdekt die als een edelsteen gepolijst konden worden. Maar hij merkte op dat dit polijsten als doel moest hebben om op veel fronten uit te munten. Hij zei dat moreel uitmunten een integraal onderdeel van het onderwijs moest zijn. Misschien was hij wel de enige president van een universiteit die kon zeggen dat een deel van het doel van zijn school was om bij te dragen aan ‘de verhoging en het eeuwige leven van de mannen en vrouwen die hier komen’. Jaren later zou hij zeggen dat de grootsheid van de BYU niet in haar fraaie campus lag, noch in haar status in de academische wereld of de sportwereld, maar in haar mensen.
President Holland kwam voor veel proeven en uitdagingen te staan toen hij de BYU leidde. Hij kreeg opdracht om een inzamelingsactie te leiden die voor de universiteit 100 miljoen dollar moest opbrengen, en hij kreeg veel kwaadsprekerij en kritiek te verduren van tegenstanders van het BYU‑centrum in Jeruzalem toen dat eind jaren 1980 werd gebouwd. Maar dat project leverde hem ‘hele fijne omgang’ met president Howard W. Hunter (1907–1995) op, die toen president van het Quorum der Twaalf Apostelen was, en nogmaals met ouderling Faust. Wat hij in geestelijk opzicht leerde, was van onschatbare waarde.
‘Er kan beslist geen groter doel of groter voorrecht zijn dan een “bijzondere getuige [te zijn] van de naam van Christus in de gehele wereld”’, zei president Holland in 1994 over zijn roeping tot het Quorum der Twaalf Apostelen.
Tot de Twaalf geroepen
Toen het Jeffrey Hollands beurt was om als president van de BYU vervangen te worden, werd hij op 1 april 1989 geroepen als lid van het Eerste Quorum der Zeventig. Vijf jaar later, op 23 juni 1994, werd hij als lid van het Quorum der Twaalf Apostelen geroepen. Hij was diep onder de indruk van die roeping en was er erg dankbaar voor.
‘Natuurlijk is mijn grootste vreugde dat ik in de gelegenheid gesteld word om, zoals Nephi het gezegd heeft, “te spreken over Christus, mij te verheugen in Christus, Christus te prediken en over Christus te profeteren” (zie 2 Nephi 25:26), waar ik ook ben en met wie ik ook verkeer, tot aan mijn laatste ademtocht’, zei hij tijdens de algemene oktoberconferentie van de kerk in 1994. ‘Er kan beslist geen groter doel of groter voorrecht zijn dan een “bijzondere getuige [te zijn] van de naam van Christus in de gehele wereld” (Leer en Verbonden 107:23).’
Een van de leerervaringen die president Holland in zijn roeping had, was een unieke opdracht die president Dallin H. Oaks en hij kregen.
In augustus 2002 vroeg het Eerste Presidium ouderling Holland als apostolisch getuige twee jaar lang naar Chili te gaan en de kerk daar leiding te geven en te instrueren. Ouderling Oaks werd aan de Filipijnen toegewezen.
‘Ouderling Holland legde vooral nadruk op de noodzaak om een voorbeeld te zijn in leiden op de wijze van de Heer’, staat er in een historisch verslag. ‘Hij hielp met het instrueren van nieuwe leiders en hield toezicht op het stichten, opheffen en samenvoegen van honderden wijken en tientallen ringen. Die reorganisatie en instructie waren nodig vanwege de snelle groei van de kerk in het land. Onder zijn leiding werden de units gesterkt en werd de kerk in Chili op de toekomst voorbereid.’
Bovendien legde hij enkele belangrijke contacten voor de kerk door vriendschap te sluiten met vertegenwoordigers van de Chileense overheid, inclusief de president van dat land en diens vrouw, met wie de kerk aan enkele humanitaire projecten werkte. Toen zijn taak in Chili ten einde kwam, vond hij het moeilijk om afscheid te nemen.
‘Dit moment – deze conferentie – vind ik erg moeilijk’, zei hij aan het begin van een afscheidstoespraak op een regionale conferentie die op 11 juli 2004 plaatsvond. In het Spaans dat hij in de loop van die twee jaar met zoveel moeite onder de knie had proberen te krijgen, zei hij tegen de heiligen in Chili: ‘Ik wist niet dat ik u allen zo lief zou gaan hebben. […] U hebt voor altijd een plekje in mijn hart.’
Vervolgens vertelde hij in het Engels, vertaald door een tolk, wat zijn visie was voor de toekomst van de kerk in hun land. ‘En ik vertel u dit niet als bezoeker,’ zei hij, want ‘ik ben Chileen.’ Hij sprak over een ‘wonder’ dat in de toekomst ‘in de woningen’ in Chili zou plaatsvinden: een toekomst vol geestelijke kracht met rechtschapen Chileense priesterschapsdragers, zusters en jongeren die gehoorzaamheid aan evangeliebeginselen met hun leven verweven.
‘Wij maken niet voor onszelf deel uit van de kerk’, voegde hij daaraan toe. ‘Wij zijn in de kerk voor de mensen die na ons komen.’
‘Mijn vader was het gelukkigst als hij thuis bij zijn gezin was’, herinnert Matthew Holland zich.
Gezinsleven
President Hollands opgewekte, positieve, toegankelijke persoonlijkheid bleek uit alles wat hij deed, maar hij slaagde erin om zijn gezinsleven grotendeels privé te houden. Uit verhalen en opmerkingen van zijn kinderen is echter op te maken dat hij ook thuis een bedreven leerkracht was.
President en zuster Holland hebben drie kinderen: Matthew, Mary Alice (McCann) en David. Tegen de tijd dat hun vader als apostel werd geroepen, waren zij allemaal al volwassen. Mary Alice en David herinneren zich allebei dat hun vader in hun jeugd altijd bereid was om zich voor zijn kinderen opofferingen te getroosten. Mary Alice zei dat hij uitjes met zijn dochter altijd zorgvuldig plande en dat ze dingen deden waarvan hij wist dat zij ze leuk zou vinden, ook al hadden die activiteiten niet zijn eigen voorkeur. David herinnerde zich de keer dat zijn vader ondanks zijn drukke schema enkele vrije dagen opnam om met zijn jongste zoon een reisje te ondernemen.
Alles wat hij zijn kinderen leerde, stond in het teken van zijn kennis en getuigenis van onze hemelse Vader en diens plan.
Matthew vertelt dat zijn vader hem een keer iets over openbaring leerde. Op een uitje raakten ze ver van de bewoonde wereld de weg kwijt. Het werd al donker toen ze bij een splitsing kwamen en ze niet meer wisten of ze links of rechts moesten afslaan. President Holland stelde voor dat zijn zoon een gebed uitsprak. Daarna vroeg hij aan Matt welke kant ze volgens hem op moesten. Matt antwoordde dat ze naar links moesten, en president Holland zei dat hij ook dat gevoel had.
De ingeslagen weg liep na 10 minuten al dood. Ze waren gedwongen terug te keren naar de splitsing, waar ze vervolgens rechts gingen. Hierover nadenkend vroeg Matt aan zijn vader waarom de Heer hun een antwoord had gegeven dat hen de verkeerde kant op had gestuurd. Zijn vader antwoordde dat dit misschien de snelste manier was voor de Heer om ze te vertellen welke weg de verkeerde was. Zij kenden de tweede weg niet, maar konden vol vertrouwen doorrijden omdat ze wisten dat het de juiste was.
Matt heeft vooral fijne herinneringen aan de tijd die het gezin aan de eettafel doorbracht.
‘Elke avond was een soort gezinsavond, vol plezier, complimenten, bemoediging, interessante gesprekken, getuigenissen, onderricht en uitingen van liefde’, zei hij. ‘Je wist altijd dat papa het gelukkigst was als hij thuis bij zijn gezin was.’
President Holland en zijn gezin waren verdrietig toen zuster Holland op 20 juli 2023 overleed. Tijdens haar begrafenis noemde president Holland haar ‘de geweldigste vrouw die ik ooit heb gekend’. Hij voegde daaraan toe: ‘Ze was alles wat een metgezellin in deze wereld kan zijn, en ik dank God dat we in het hiernamaals met elkaar samen zullen zijn.’
President Holland had de bijzondere gave om mensen van alle leeftijden op te bouwen en te sterken, en vriendschap met ze te sluiten.
Apostolisch getuigenis
De kerkleden kennen en koesteren de hartverwarmende toespraken die president Holland als algemeen autoriteit heeft gehouden. Zijn sterke getuigenis van de verzoening van Jezus Christus en van de Heiland komt in elke toespraak naar voren.
‘Vertrouwen op de genade van God is de kern van het evangelie dat Christus leerde’, zei hij. ‘Ik getuig dat de verzoening van de Heiland ons niet alleen ontlast van onze zonden, maar ook van onze teleurstellingen en smarten, ons hartzeer en onze wanhoop.’
Bij een andere gelegenheid zei hij: ‘[Laten] wij ons voornemen om betere discipelen van de Heer Jezus Christus te zijn, niet alleen in woord en in tijden van voorspoed, maar ook in daad, in moed en in geloof, en ook als de weg eenzaam is en ons kruis te zwaar lijkt om te dragen.’
Hij getuigde ook: ‘Onze enige hoop op ware volmaking is die als een geschenk uit de hemel te ontvangen. We kunnen die niet “verdienen”. Daarmee biedt de genade van Christus ons niet alleen verlossing van verdriet en zonde en dood aan, maar ook verlossing van onze eigen onophoudelijke zelfkritiek.’
President Holland wilde zijn luisteraars altijd helpen om de centrale rol van de Heiland in het plan van onze Vader te begrijpen: ‘Als Jezus – zijn naam, zijn leer, zijn voorbeeld, zijn goddelijkheid – in het middelpunt van onze aanbidding staat, bevestigen we de waarheid die Alma eens onderwees: “Er moeten nog vele dingen komen; en zie, er is één ding dat van groter belang is dan alle andere – […] de Verlosser [die] zal leven en onder zijn volk komen.” [Alma 7:7].’
Zijn getuigenis van Jezus Christus was onverbrekelijk verbonden met zijn getuigenis van de profeet Joseph Smith en het Boek van Mormon. Zijn leringen en zijn leven kregen mede vorm door de invloed van dat boek:
‘In [mijn] rol als getuige wil ik verklaren dat ik de eerste van mijn geestelijke ervaringen en heilige bevestigingen aangaande de Heiland en zijn herstelde kerk als jonge man heb gekregen toen ik het Boek van Mormon las. […]
‘De waarheid van het Boek van Mormon – de oorsprong van het boek, de leer en de omstandigheden waaronder het tevoorschijn is gekomen – staat centraal binnen de waarheid van De Kerk van Jezus Christus van de Heiligen der Laatste Dagen. […]
‘Het Boek van Mormon bevestigt onze hogere en allesovertreffende overtuiging dat Jezus de Christus is, de Zoon van de levende God, de Heiland en Verlosser van de wereld.’
Hoewel zijn stem nu zwijgt, zal niemand die het getuigenis van president Jeffrey R. Holland van de Heer en Heiland, Jezus Christus, heeft gehoord of gelezen, dat ooit vergeten – zoals ook zijn indrukwekkende toespraken nooit zullen worden vergeten.