Verhalen uit de Schriften
De Zoramieten


‘De Zoramieten’, Verhalen uit het Boek van Mormon (2023)

Alma 31–35

De Zoramieten

Hun geloof in Jezus Christus vergroten

Amulek, Alma, Corianton en andere Nephieten reizen naar een stad

Een groep Nephieten, die de Zoramieten werden genoemd, onderhielden Gods geboden niet. Dat maakte de profeet Alma verdrietig. Hij wist dat hij hen het beste kon helpen door het woord van God te onderwijzen. Hij onderwees hen samen met Amulek en anderen.

Alma 31:2–11

Alma en Amulek kijken verdrietig, en goedgeklede mensen negeren de mensen in nood

De Zoramieten kenden God, maar zij hadden zijn leringen veranderd. Ze aanbaden afgoden. Ze vonden dat zij beter waren dan andere mensen. Ze waren ook gemeen tegen mensen die geen geld hadden.

Alma 31:1, 8–12, 24–25; 32:2–3

goedgeklede Zoramieten staan op een hoog platform te midden van een menigte en heffen hun armen ten hemel

De Zoramieten hadden in het midden van hun kerken een hoog platform gebouwd. Ze gingen er één voor één op staan om te bidden. Ze baden steeds met dezelfde woorden. In het gebed zeiden ze dat God geen lichaam had en dat Jezus Christus niet bestond. Ze zeiden dat zij de enige mensen waren die God zou redden.

Alma 31:12–23

Alma en Amulek praten met de arme Zoramieten

Alma hield van de Zoramieten en wilde dat zij God en Jezus volgden. Hij bad en vroeg aan God om hem en de anderen die met hem mee waren gekomen, te helpen om de Zoramieten te onderwijzen. Alma en degenen die bij hem waren, werden allen vervuld van de Heilige Geest. Zij onderwezen met de macht van God.

Alma 31:24–38; 32:1

de arme Zoramieten luisteren naar Alma, Amulek en Zeëzrom

Sommige Zoramieten waren verdrietig. Ze mochten de kerken niet in, omdat ze geen mooie kleren hadden. Ze wilden God aanbidden, maar ze wisten niet hoe ze dat moesten doen als ze niet in de kerk mochten komen. Zij vroegen aan Alma wat ze moesten doen. Alma legde uit dat God hun gebeden hoort, waar ze ook zijn.

Alma 32:2–12; 33:2–11

Alma houdt een klein zaadje vast en wijst met zijn andere hand naar een grote, prachtige bloem

Alma zei dat God wilde dat mensen geloof hadden. Hij vergeleek Gods leringen met een zaadje. Als mensen Gods leringen in hun hart zouden zaaien, zou dat zaadje groeien en dan zouden ze weten dat de leringen van God waar zijn. Hij zei dat ze alleen een verlangen om te geloven nodig hadden om hun geloof te oefenen.

Alma 32:12–43

Amulek praat en naast hem staat een afbeelding van Jezus Christus die mensen onderwijst

Amulek onderwees het volk daarna over Gods plan voor zijn kinderen. Hij vertelde dat ze door Jezus allemaal vergeving van hun zonden konden krijgen. Hij leerde ze ook om tot God te bidden en zei dat God hen zou helpen en beschermen.

Alma 34

wachters kijken toe terwijl veel arme Zoramieten de stad verlaten

Veel arme Zoramieten geloofden wat Alma en Amulek onderwezen. Maar de leiders van de Zoramieten waren boos. Ze jaagden alle gelovigen de stad uit.

Alma 35:1–6

Anti-Nephi-Lehieten verwelkomen de arme Zoramieten

De gelovigen gingen bij de Anti-Nephi-Lehieten wonen. De Anti-Nephi-Lehieten dienden hen, of hielpen hen, door ze eten, kleren en land te geven.

Alma 35:9